XI De eland
Zij speelden, Tetje en Bekka en Louis, in de kleiputten die een voorwereldlijke reus in een woedeaanval met zijn bergschoenen schoppend in de gele aarde geschapen heeft, de grond scheurde en okeren kloven verschenen in de aarde, toen zijn de Nerviers gekomen en hebben er de aarde weggehaald om hun ovens mee te bouwen en hun hutten te dichten, later is een oude Belg op het idee gekomen om natte blokjes kleiaarde te bakken tot bakstenen, terwijl de oude Grieken marmer gebruikten, het is altijd zo geweest, de Belgen prutsen liever met bouwdozen, luciferdozen, de anderen bouwen met graniet en porfier en marmer.
Zij lieten een vlieger op die Tetje in een kwartier met zijn bruine, geoliede vingers in mekaar gefrutseld had. Louis probeert dit ook, maar het lukt nooit, de pap gemaakt van bloem blijft slap, de kranten raken nat, het touw sluit zich niet onwrikbaar zoals bij Tetje rond het kruis van de rieten stokjes.
Toen verkenden zij de omgeving en zongen, Bekka het hardst. Niemand joeg hen weg. In de smalle barak waar de hoofdmannen van de kleigravers kaartspelen als het regent, vonden ze lege conservenblikken waarmee ze voetbalden. Tetje probeerde een elektrische boor aan te krijgen, maar die was verroest of kapot, hij priemde met de gedraaide punt in de wanden, maar kreeg er geen gaatje in. Bekka trok een vieze overall aan, rolde de mouwen en de broekspijpen op, liep als Charlie Chaplin met haar voeten uit elkaar, tenen overdreven buitenwaarts. Een man verscheen en zei: 'He, smeerlappen!' Meteen snauwde Bekka: 'Ziet ge niet dat wij bezig zijn?'
'Dat zie ik.' De man droeg grijze sokken en sandalen, een pruimkleurige trui, een flesgroene broek die strak spande rond zijn tenger onderstel. Om zijn nek hing een medaillon van de heilige Antonius. Er was iets mis met zijn gegolfd en wollig haar, het zat als een muts die opgehouden werd door zijn oren. De man had net chocola gegeten, zijn lippen waren onduidelijk bruin.
'O, gij smeerlapkes.' Zuchtend ging hij op de drempel van de barak zitten. Hij bleef naar Louis kijken. 'Ik ken u,' zei hij. 'Ge moet niet van niks gebaren, ik ken u.'
'Dat kan zijn.'
'Zijt ge niet een van die turners die op de Grote Markt gymnastiek gedaan hebben op de Gulden-Sporenfeesten? In een wit broekje?'
'Nee,' zei Louis, ontweek de dwingende, heldere blik. Bekka's hees, schurend lachje. Tetje sloeg spijkers in de deur van de barak.
'Nee? Dan is 't iemand anders. Maar ge zijt wel van een goeie familie. Dat zie ik direct. Niet lijk die twee bohemers hier.'
'Schei maar uit, Vuile Sef.' Als een oud vrouwtje perste Bekka haar lippen tot een hooghartig pruilmondje.
'Ik ben tien keer properder dan gij. Waar of niet, Tetje?' Deze ging door met verwoed spijkers in het hout te slaan, in een hartvorm.
De man aaide over zijn borst, de binnenkant van zijn dijen.
'Is 't weer zover?' vroeg Bekka achteloos. Vuile Sef gromde iets. Er verscheen een geslagen uitdrukking op zijn gezicht die Louis meteen aan Bernard deed denken, een kleintje dat op de speelplaats draalde bij de grotere jongens alsof hij steeds op het punt stond iets pijnlijks te vertellen, maar er kwam nooit een geluid uit Bernard, tot woede van Zuster Adam en medelijden van Zuster Engel, die probeerden hem aan de praat te krijgen. Hij werd steeds magerder, Bernard, rende tien, twaalf passen en bleef dan weer een kwartier onbeweeglijk staan, verstard in een hulpeloze stilte. Toen Louis hem zei: 'Bernard, waarom doet gij zo dwaas?' had Bernard hem alleen maar toegeknikt. 'Bernard, ge hebt ook het poeder niet uitgevonden, he?' Bernard knikte en zijn verdriet werd nog verdrietiger. Als je hem een duwtje gegeven had, was hij omvergevallen. Louis gaf Bernard een tikje tegen zijn schouder. De jongen knikte. Louis tikte met zijn wijsvinger tegen Bernards keel, voelde het kraakbeen. 'Doe maar,' zei Bernard. Waarop Louis hem een schop gaf tegen zijn enkel. Dagenlang achtervolgde Bernard hem, met de smartelijke geitenogen, steeds vermagerend, papierwit. Toen hadden zijn ouders hem weggehaald. Volgens Zuster Imelda lag hij nog steeds op zijn bed.
'Hoe heet ge?'
'Louis.'
'Ik dacht zoiets. Een naam van een goeie familie. En waar gaat ge naar school?'
'Laat hem gerust,' zei Tetje en hief zijn hamer en liet hem neerkomen op twee centimeter van Vuile Sefs gebeeldhouwde golven rood en bruin haar. De man bleef zijn spannende broek strelen terwijl hij overeind kwam.
'O, hij is jaloers. Hij kan niet verdragen dat...'
'Tien frank,' zei Tetje en liet de hamer vallen, vlak voor Louis' voeten.
'Gij wordt duurder met de dag.' Vuile Sef deed een oude joviale marktkraamster na, die de klanten toeriep. 'Zeven frank en geen frank meer! Te nemen of te laten!' Bekka nam Louis' pols vast en trok hem mee op het ogenblik dat Tetje knikte, en Vuile Sef in de barak ging. 'Kom,' zei zij.
Een hele tijd gooiden zij platte keitjes over het grauwgroen oppervlak van een stinkend stilstaand water, maar de keitjes ketsten niet op.
'Wat doen ze toch, die twee?'
'Wat peinst ge?' Zij vechten, dacht Louis want af en toe bereikte hen een gesmoorde kreet en wat gestommel.
'Ja. Zij vechten,' zei Bekka. Zij trokken hun schoenen uit en stapten in de gele modder waar wolkjes muggen over zwermden. De grond was mals en koel tussen de tenen. Bekka vertelde dat haar vader binnenkort naar Frankrijk ging om de oogst te doen, en dat hij haar gevraagd had om op haar moeder en Tetje te passen.
De vechters kwamen uit de barak, Vuile Sef ging meteen zonder opkijken naar de autoweg. Toen hij langs de framboosrode hijskraan liep, sloeg hij fel op een van de stangen. Tetje raapte de hamer op, stak hem tussen zijn hemd en zijn bloot broodkorstbruin vel, en zei dat ze zo stilletjesaan naar huis moesten.
'Maar wij zijn nog maar juist aangekomen!' Ook hier, in de weidse speelplaats van de kleiputten, duizendmaal groter dan die van het Gesticht, breekt plots iets af zonder aanwijsbare reden, waarom wordt deze middag onderbroken?
Bekka deed alsof haar broer niet bestond toen zij terugliepen. Tot zij plots een gilletje gaf. 'Maar gij zijt toch twee rare gasten. Gij ziet mij hier lopen in die smerige overall en gij zegt er niets van.'
Zij trok de overall uit en gooide hem over een boomstronk, als een neergeschoten vogelverschrikker.
'Hebt ge ooit van zijn leven! Het scheelde niet veel of ik was zo naar binnen gegaan bij ons vader.' Maar het klonk alsof dat helemaal geen ramp was geweest, en dat zij het zei om de stilte die uit Tetje uitwasemde te verbreken, of om tijd te winnen, om... Bekka is een Zuster, Zuster Rebecca.
'Ik dacht dat ge hem mee naar huis wilde nemen, voor Vake,' zei Tetje sullig, afwezig.
'Ons Vake in die vuiligheid? Wilt ge dat ons Vake iets aantrekt dat uit die barak komt?' riep Bekka bitsig. 'Wij zijn niet allemaal zoals gij!' Toen zij hun straat zagen liggen in de verte, ging Tetje sneller. 'Ik zal u een Prince Valiant-boek kopen,' zei hij tegen zijn zuster. Een zoenoffer.
'En een zakje zure spekken,' zei Bekka meteen. 'Van alle kleuren.'
'Ook goed.' Tetje ging nog sneller, met zijn hoofd voorovergebogen. Er lagen veel kartonnen dozen, blikken, flesjes langs de weg, maar hij schopte er niet tegen.
Mama begon te krijsen toen ze Louis' schoenen en sokken zag vol okergele korsten en klodders. 'Gij zijt weer met die schooiers gaan spelen.'
'Niet waar.'
'Gij zijt gezien geweest, manneke, leugenaar. Kijk, ge wordt helemaal rood. Ge hebt een rode kop van het liegen!'
Hij moest in de veranda knielen en twee ingebonden jaargangen van Ons Volk Ontwaakt! naast zich houden op zijn vlakke handpalmen, op zijn gestrekte armen. Toen hij er een tijdje zat, kwam zij moeizaam sloffend, haar dikke buik vooruit, bij hem. Hij wou overeind kruipen maar zij zette een bloempot met een geel en roze gevlekte hortensia op zijn hoofd. 'Voila. En verroer niet of ge krijgt ervan met de mattenklopper.'
Amechtig liet zij zich in de sofa zakken. Af en toe voelde hij haar blik in zijn nek.
Papa en Raspe kwamen langs en sjouwden met riemen papier. Raspe zei: 'Kijk eens, Staf, een moderne bloempot.' Zij bleven staan, het pak tussen hen plooide lichtjes door. Papa hijgde. 'Die bloem mag wel eens een beetje water krijgen,' zei hij. Raspe gierde het uit en trok aan het pak papier. Papa volgde. Louis kon het niet tegenhouden. Zijn armen schrijnden, zijn nek kreeg een kramp, maar dat was het minste zeer, hij voelde de tranen over zijn kin lopen. Hij probeerde geen geluid te maken maar een hoog snikje ontsnapte hem, als een kleintje alleen in bed. Toen hoorde hij de sofa kraken, zij kwam tegenover hem staan.
'Nu voelt ge een keer wat het is,' zei zij.
Ik moet iemand anders zijn. Ik ben hier niet. Dat gevaarte voor mij, die bultige zak in de gebloemde jurk met dat lieflijk hoofd daarboven waar ik niet durf naar te kijken, want anders ga ik nog meer huilen, zij, zij, zij kijkt naar een andere jongen. Raspe noemde mijn vader die tenslotte toch zijn baas, zijn werkgever is, bij de voornaam. Dat zal ik nooit dulden. Het kind in haar buik kijkt dwars door de vlezige wanden naar mij, en denkt dat het zijn broer ziet. Niks van. Zijn broer, Louis, is elders, binnen de vertrouwde, veilige omheining van het Gesticht, vele kilometers ver.
Mama zei van alles, het klonk verontschuldigend, hij hoorde het met moeite, alsof zijn oren overspoeld waren door tranen. Zij zei dat dit de straf was geweest in de Normaalschool, waar zij vaak onschuldig veroordeeld werd. 'Veroordeeld?' zei hij.
'Goed,' zei Mama bitter, 'gij staat mij uit te greiten, goed, we gaan een keer zien wie dat er aan 't laatste eindje trekt.'
Na wat een halfuur leek begonnen zijn armen te snokken, te rillen. Hij liet ze zakken, bleef met de wankele, stenen hoed op zitten, met zijn billen tegen zijn hielen, en riep naar haar in zijn rug: 'Vergiffenis. Ik vraag om vergiffenis, Mama.'
Zij waste zijn gezicht met een keukenhanddoek. Hij zat aan de tafel en knipte plaatjes uit Bravo die hij later in een schrift zou plakken, aan Vlieghe laten zien.
''t Is voor uw goed dat ik het doe,' zei zij. 'Verstaat ge 't of niet? Want anders groeit ge op lijk een ongehoorzame wildebras.'
Zij aten samen mastellen om vier uur.
'Het kindje zal een schoontje zijn. Met blond krulhaar en blauwe oogjes. Ik zie het dikwijls voor mij. Ik kijk drie vier keer per dag naar het portret van Gary Cooper, het schijnt dat het van invloed is. Ik zou ook naar Jean Harlow moeten kijken voor het geval dat het een meisje is, maar ik denk dat het een jongetje wordt. Wat denkt gij? Niets natuurlijk, het is altijd hetzelfde met u, het is te veel dat ge antwoordt aan uw moeder. Is dat wat ze u leren in 't Gesticht? Gij zijt helemaal niet content dat ge een broertje krijgt. Terwijl dat het speciaal voor u is dat ik zo afzie. Omdat ge niet alleen zoudt opgroeien, omdat ge een kameraadje zoudt hebben om mee te spelen.'
Voor mij moet ge 't niet doen. Nog net hield hij de woorden tegen. Zij wreef over haar buik, automatisch, zoals Vuile Sef die middag. Als zij het kind er maar niet uitduwt, hier, waar ik bij ben.
'Dat het maar rap komt. Hoe eerder hoe liever. Want soms houd ik het niet meer uit,' zei Mama.
Toen zij de ratel van de mosselkar hoorden buiten, mocht hij een emmer mosselen halen. Moeizaam sjouwde hij met zijn pijnlijk uitgerekte armen de emmer in de keuken. 'Ge wordt een sterke vent,' zei zij. Hij mocht uien snijden, zij stak een lucifer in zijn mond tegen de tranen. Alsof hij nog tranen over had.
Peter Benoit, de grootste Vlaamse toondichter aller tijden, die in een nietig krotje op de Markt van Harelbeke was geboren, at het liefst rauwe mosselen. Hij had een leeuwenkop met een baard en zijn vriend, de machtige dichter Emmanuel Hiel ook. Samen zaten zij op een terras en slurpten rauwe mosselen terwijl de ene dichtte en de andere zijn onsterfelijke melodieen zong tot verbijstering van de voorbijgangers die toch vol ontzag hun hoeden of hun petten afdeden.
In de radio stootte een Duitse stem kelige geluiden uit.
'Jetzt,' zei Mama. 'Hebt ge 't gehoord? Hij zei: Jetzt. Dat zei de Duitser ook altijd die mij pianoles gaf in Veertien-Achttien. Wij speelden quatre-mains samen. En als 't in de les aan mijn toer was riep hij: Jetzt! Jetzt! en ik verschoot iedere keer omdat ik dat zo'n raar woord vond. Ik zou willen dat ik jetzt naar 't moederhuis mocht.'
Zij speelden met het ganzenbord. De avond viel. Louis speelde vals, Mama merkte het niet.
'Ik heb die vent gezien, die bij Papa en Peter in de auto zat, Holst.'
'Een brave jongen,' zei Mama, 'maar een beetje raar. Hoe vond je hem? Een schone vent, he? Hij heeft nog achter mij gezeten.'
'Achter u in de klas?'
Haar lach parelde, hoog, in watervalletjes, zoals een trillerig gezang in de radio, Mimi Colbert, Papa's geliefde zangeres, coloratura, in 'De klokken van Charleville'.
'Maar nee, zotje. Achter mij gelopen, om met hem te gaan. 't Wordt tijd dat iemand u op de hoogte brengt, geloof ik. Gij weet toch wat dat wil zeggen, jongens die met meisjes gaan?'
'Natuurlijk.' Ik word weer rood.
'Maar ge ziet van hier, dat kon natuurlijk niet.'
'Waarom niet?'
'Hij was veel jonger dan ik. En daarbij, mijn vader had mij bont en blauw geklopt.'
'Maar waarom?' riep Louis ongeduldig.
'Maak me niet nerveus.' Zij veegde de pionnetjes van het bord in een kartonnen doos. 'Die gasten van Holst, dat zijn bosmensen. Zij wonen in 't bos. Zij kennen niets anders dan het bos. En zoveel te beter, dat soortje moet in zijn bos blijven.'
'Toch zat hij in Papa's auto.'
'Uw vader is veel te goed. Holst kwam naar hier om kinderkleedjes te brengen. En hij wilde per se in Papa's auto zitten en rondrijden, dat hebt ge met die bosmensen. En uw vader wilde natuurlijk pronken en heeft hem meegenomen. Die kinderkleedjes waren lelijke, ouderwetse modellen, ik heb ze in de vuilnisbak gesmeten. Mijn kind moet geen afdankertjes van anderen dragen.'
'Van wie waren die kleedjes?'
Zij was het ganzenbord aan het opbergen in de lade onderaan het buffet bij de kaarten en het damspel, zij richtte zich te snel op, greep naar haar lenden, wreef erover.
'Maar nu dat ge 't zegt... Van wie? Ik heb er nog niet bij stilgestaan. Meerke zal ze nog hebben liggen van vroeger. Nee, want dan had ik dat thuis gezien. Ik ga er toch eens naar vragen.'
Ineens riep zij: 'Nondedju! Ik weet het. 't Is niet mogelijk. Weet ge, Louis, die kleertjes zouden best eens van Jeannette kunnen zijn! Nee, dat zouden ze niet durven... Nondedju! Zij heeft het wel gedaan, het waren de kleren van de kleine Jeannette!'
Jeannette was het dode dochtertje van Tante Berenice, Mama's zuster, die in de Walen woonde, getrouwd was met een Arabier; of was het een Egyptenaar? in ieder geval een die bekeerd was tot de Islam, de walgelijke godsdienst die ooit Europa heeft bedreigd met het teken van de Sikkel en door Karel Martel tot staan is gebracht. Louis vond het net zo schandelijk als Mama, dat Meerke, Mama's moeder, zijn aanstaande broer in meisjeskleren wou steken die nog roken naar de Islam. En naar een dode.
'Ik dacht dat Tante Berenice niet meer in Meerkes huis binnen mocht omdat zij met die heiden getrouwd is en aan haar geloof verzaakt heeft.'
'Ach, Louis, dat is allang bijgelegd. Gij leest ook de gazet van verleden jaar, gij.'
'In het Gesticht zijn er geen gazetten,' zei Louis nijdig.
Op het ogenblik dat hij naar bed moest en zijn natte en van alle kleisporen ontdane schoenen naast Mama's geruite sloffen zette bij de dode, loodkleurige kachelpoten, kwam Papa binnen.
''t Is verschrikkelijk.' Papa's hoed viel van zijn hoofd toen hij in de cosy corner zakte, zijn kersrood bol gezicht glom van het zweet. 'Geef mij gauw een pils.'
Louis rende naar de keuken, zocht koortsachtig onder het aanrecht. 'Er is geen bier meer,' schreeuwde hij, en vervloekte zijn slordige moeder die Papa zo veronachtzaamde, alleen omdat zij een kind verwachtte.
'Achter de gordijnen, blinde uil!' riep Mama en babbelde onverstaanbaar verder met Papa. Ik mis het allerbelangrijkste, het begin!
'Merci.' Papa klokte het glas bier in twee teugen leeg, vervolgde. 'En ik had juist een reclame opgehaald bij de dentist in Kuurne, ik kom aan de steenweg gereden en ik zie dat heel de straat in brand staat. In lichtelaaie. 't Zag zwart van 't volk, 't was al zwart in de lucht van de rook, de gendarmen wilden mij doorlaten, maar de mensen op straat verroerden geen centimeter, ik claxonneer lijk zot, de gendarmen zwaaien dat ik mocht doorrijden want ze hadden gezien wie dat ik was, en dan gingen ze eindelijk opzij, die gapers, maar aan de kant van de brand, en, Constance, ik zie dat die grote schuur aan de draai van Harelbeke in brand staat. 't Was om te schreien, al dat schoon vlas in brand, en ik forceer een beetje, ik geraak tussen 't volk en de brand, en de vlammen sloegen uit, recht naar mijn auto, en kijk, kijk, voel, de helft van mijn baard is weg, heel de rechterkant is verschoeperd!'
Zij, de slavin die dit met open mond had aangehoord, stond op, zonder enige last van haar gezwollen pens. Papa nam haar hand beet en wreef ermee over zijn wang.
'Voelt ge 't? Louis, kom hier. Voel!'
'Ge hebt het warm,' zei Mama.
'Nee, maar voelt ge dat de stoppelkes minder zijn dan aan deze kant, Louis!'
'Ja,' zei Louis, het schuurpapier tegen zijn vingertoppen. Hij liet zijn vaders gezicht los. Papa leunde achterover, met zijn nek in de kussens.
'De vlammen vlogen dus tegen uw auto?' zei Mama.
'Mijn banden, mijn carrosserie aan de rechterkant, 't is al zwart.'
'Hoe dat ge uw venster niet toegedraaid hebt?'
'Maar 't was om te stikken van de hitte. Dan draait ge uw venster toch open!'
'Gij zijt helegans geschonden,' zei Mama. Papa kwam overeind, steunde met zijn hand op het kussen, kneep zijn ogen tot spleetjes.
'Lach maar, Constance. Maar ik had er in kunnen blijven. Want ik moest uitwijken voor dat stom volk en 't scheelde geen haar of ik reed regelrecht in die brandende schuur.'
Haar buik schuurde langs de tafel, zij boog zich over haar man en streelde zonder dat hij er om vroeg, over de gave, rode wang van de snoever. 'Stel u voor, gij in een brandende schuur!' Papa scheen dat geestig te vinden en knipoogde naar de vleister.
'Was het in Harelbeke?' vroeg Louis.
'Vlak bij uw Hert.'
Louis' Hert was een eland die in brons was opgericht om de gesneuvelde Canadese soldaten te herdenken, een beest dat bij avond net echt leek, met een gewei van reusachtige bladeren die opwaarts vlotten. Elke keer dat de familie naar Meerke ging in Bastegem, kwam de auto daar voorbij en dan likte Louis zijn duim nat, wreef er mee over zijn handpalm en sloeg een kletsende vuist in die natte hand.
==
Die nacht gaf Louis de ontzaglijke zware eland de sporen dwars door vlammen. Zijn moeder in een blauwe jurk met witte gasvlammetjes als noppen spreidde haar armen toen hij op zijn eland langs haar daverde. Op hetzelfde ogenblik schoten de woeste kroesharen op het voorhoofd van de eland in brand, de vlammen likten langs het gewei waaraan Louis zich vasthield, toen brandde het hele gewei, de eland werd zacht en wit als de koe Marie van Baekelandt en steigerde, Louis viel van de flanken in lakens en werd wakker in lakens waar de eland over gekwijld had.
XII Nonkel Florent
Na het middagmaal van varkensgebraad, schorseneren en gebakken aardappelen gingen Vader Staf en zoon Louis Seynaeve die zondag naar het cafe 'Groeninghe', ruimschoots op tijd voor de vriendenmatch Walle Sport(-ing Club) tegen Club Brugge. Er zaten al veel getrouwen in de middeleeuwse zaal met de ramen in glas en lood, de eiken meubelen, de koperen pannen, de foto's van de Landdag van het Vlaams Nationalistisch Verbond, de leuzen in gotisch schrift: 'Hutsepot', 'Bloedworst naar Moeders wijze', 'Levet scone', 'Were Di'.
Papa werd niet onthaald als gewoonlijk, leek het. Men groette hem mat en keuvelde verder, pint in de hand. Natuurlijk merkte Papa het niet. Hij is van beton, mijn vader. Papa begon uitvoerig tegen Noel, de uitbater achter de toonbank, over zijn recente verbranding op de weg bij Harelbeke. Met gebaren en een zelfverzekerde, hoge stem - omdat Peter niet in 'Groeninghe' was - vertelde hij hoe zijn brandnieuwe deukhoed op zijn hoofd in vlammen was geschoten, hoe zijn polshorloge gesmolten was, hoe een voorband uiteengespat was door de helse hitte, maar Noel had het te druk met tappen en zei alleen maar: 'Ja, 't is iets, he! 't Is iets tegenwoordig.'
Louis had te veel tafelbier gedronken en met de limonade die hij nu aangeboden kreeg van zijn vader er bovenop moest hij vreselijk pissen, maar hij durfde de zaal niet door, naar de aanlokkelijke eikenhouten deur waar een silhouet van een ridder in gebrand stond, en waar de Groeninghers om de minuut heenwandelden, soms met de hand al naar de gulp gestrekt.
Mijnheer Leevaert, leraar aan het Atheneum, kwam bij Papa aan de toonbank. Zijn verwoest, bijna paars gezicht boog zich naar Louis. 'Is dat dezelfde Louis die ik nog op mijn knieen heb gehad?'
'Ja, meneer,' zei Louis. (Als ik hem daarmee een plezier kan doen.)
Papa heeft een groot ontzag voor mijnheer Leevaert omdat hij veel boeken leest en de boezemvriend is van Marnix de Puydt, dichter, pianospeler en beroemdste telg van Walle. Die twee zijn onafscheidelijk, Siamezen.
'Noel, een Pils zonder te veel schuim voor onze Louis!' Papa wou protesteren maar kwam niet verder dan een besmuikt: 'Omdat het zondag is.'
Louis kent zijn wereld, hij heft het glas naar mijnheer Leevaert. 'Sante.'
'Gezondheid,' roept Papa.
'Gezondheid, Mijnheer Leevaert.' Niet te snel drinken. Niet verslikken. Weer een blunder. In het Frans toosten, in dit cafe, ik zal het nooit nooit meer vergeten, het is Byttebier zijn schuld, die in het Gesticht zijn glas water of melk heft en 'Sante' roept waarbij Hottentotten altijd proesten. Wanneer zal het ooit eens mijn eigen schuld zijn? Later.
'Staf.' Mijnheer Leevaert scharrelt in zijn binnenzak en haalt een vliesdun geplooid papier boven dat hij met delicate pianovingers ontvouwt. Mama die quatre-mains speelde met een ulaan, jetzt, zegt dat echte pianisten niet van die lange, smalle vingers hebben, integendeel, soms stompe, korte vingers, maar wel brede handen. 'Staf, ik heb hier een document gekregen van Joris dat onze al zo wankele wereld op zijn kop zal zetten.'
Louis vroeg zich af wat er zou gebeuren als hij nu, met op elkaar geperste dijen, in zijn broek zou plassen. Of iemand het zou merken. Zijn de Groeninghers niet allemaal opgeslorpt in hun eigen verhalen? Ik doe het ook nog. Nee, hij trachtte mijnheer Leevaerts verhaal te volgen om de druk, die op pijn begon te lijken, in zijn onderbuik af te weren. Joris was Joris van Severen, de leider van de Dinaso's die op zoek was naar het ideale Rijk, dat van alle Nederlandstaligen. Frans-Vlaanderen tot Friesland, dat was Dietsland, Holland, Belgie, Luxemburg en nog hier en daar wat, dat was de Boergondische staat.
Maar nu zou - volgens het slordig getikte en van minieme potloodkrabbels voorziene papier - de partij zich moeten scharen onder de vlag van Belgie, onder de kepie van onze Koning en zijn dynastie. Joris riep op een onafhankelijk, neutraal Belgie te dienen, een solidair volk te zijn, zonder klassenstrijd, in een aristocratische orde.
'Tiens, tiens,' zei Noel met een dienblad vol bruine glazen roerloos voor zijn borst.
'Een bastion van vrede,' las mijnheer Leevaert, 'maar ook van orde en waarachtige beschaving.'
De dichtstbijzijnde tafeltjes waren stil. Louis rende naar de deur, duwde, maar de deur die zo veelvuldig was opengezwaaid voor de Groeninghe-pissers bleef onwrikbaar dicht. Het bloed stuwde naar zijn hoofd, hij schudde aan de klink, zag de grijns op een man met bril en baard die naar de deur ernaast wees, merkte toen dat hij aan het sjorren was bij de sierlijk in het hout gebrande omtrek van een jonkvrouw, plofte tegen de ridder aan, die week met een smak.
Toen hij terugkwam zei een Groeningher dat de Dinaso's niet consequent waren, ja zeker, maar dat politieke zuiverheid niet altijd een deugd was. Een andere zei dat hoe dan ook de Belgische staat in mekaar zou storten, dat lag in de lijn van de geschiedenis. Dat kon Louis begrijpen, zijn geschiedenisboek vertelde over een reeks van rijken die vergingen, maar meestal duurde het toch een tijdje. Een volgende zei dat de Vlaamse taal het enige criterium was. Nieuw woord, althans een nieuwe betekenis, want een criterium was tot nog toe een wielrennerskoers met Karel Kaers en Marcel Kint, de twee adelaars.
Louis zag op de staande klok dat de match Walle-Brugge binnen het uur zou aanvangen en dat Papa geen aanstalten maakte om te vertrekken, zozeer hing hij aan de lippen van mijnheer Leevaert die het over de lotsverbondenheid van de Germanen had.
Kan men dronken worden van een glas bier? Kan men een onbedaarlijke honger hebben een uur na zich volgepropt te hebben met varkensgebraad, schorseneren, aardappelen en appeltaart?
In een waas zag Louis hoe de dooraderde kop van Leevaert vervangen werd door een brouwersknecht met een leren schort aan, die Papa bedreigde met een worst van een vinger. Want wat bleek? Wat verklaarde de schichtige, ongemakkelijke blikken van de cafebezoekers toen de Seynaeves waren binnengekomen? Een vernederend, schokkend feit, dat door de brouwersknecht, brulaap, wrekende en gekwetste supporter, werd verwoord. Gisteren had men Florent Seynaeve, Papa's jongste broer, van de reservebank van Walle-Sport weggekocht. Onder het voorwendsel dat hun vaste keeper, Herman Vanende, onder de wapenen was geroepen, had Stade-Walle groot geld geboden en betaald om de overloper vandaag al tussen de doelpalen te krijgen.
'Groot geld, groot geld,' Louis zag dat Papa niet op de hoogte was, dat hij tijd probeerde te winnen, iets wilde verzinnen.
'Er is sprake van een moto, een Indian!'
'Zonder te spreken van, wat er onder de tafel wordt geschoven. Ni vu ni connu.
'Spreek uw moedertaal, Hanssens!'
'Gij kunt het niet beter zeggen, Willemijns,' zei Papa. ''t Gaat hier, lijk in alles, om een taalkwestie.'
Mijnheer Leevaert haalde zijn wenkbrauwen op, bestudeerde Papa met een schijn van een monkellachje. Hij dronk van zijn zesde biertje.
'Ik heb er dikwijls over gediscuteerd met mijn broer. 'k Zei hem: ''Florent, Walle-Sport is eigenlijk, als ge 't goed ingaat, een chique-club. Een goeie club, een schone club, daar niet van, op sportgebied is er niets op te zeggen, maar..."'
Papa keek om zich heen, niet naar Louis.
' ''Maar volksvijandig. Ja, ja, ja. Spreekt de directie geen Frans misschien thuis? En zelfs in de kleedkamers? Hebben de spelers niet een air van kijk-naar-mij? Zijn het geen fils-a-papas die hun neus optrekken voor 't gewoon volk?" "Staf," zei mijn broer, ''als ik er goed op peins, ge hebt gelijk. Want 't geen dat ge niet weet, volgend seizoen komen er twee spitsen bij, een uit Charleroi die geen woord Vlaams kent en een zuivere Fransman van Stade-Reims."'
De Groeninghers bespraken dit, allemaal tegelijk. Het was waar dat de Walle-Sport-spelers meer bekommerd waren om hun proper wit-rood hemdeke dan om hun publiek. Dat ze eerder elegante cinema met de bal vertoonden dan resultaten.
En moet ge niet eerder een club steunen die wat minder presteert maar die van ons is, van ons volk?
Papa is een redenaar die de massa's in een oogwenk kan doen veranderen van opinie. Papa, die daar, zwetend en gelukkig, staat te kouten is in aanleg iemand als Danton of Hitler. Louis gloeide van trots.
'En 't is daarom dat ik nu met onze Louis naar Stade-Walle ga om voor mijn broer te supporteren.'
Het gemak waarmee hij de leugen uitsprak. De vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn favoriete ploeg van zich afgooide. De durf van zo'n levensgroot, op het moment zelf geschapen, verraad! Louis nam zijn vaders arm vast en zei luid: 'Het is tijd, Papa.'
'Ge hebt gelijk, jongen.'
Op straat, een ijl gevoel in zijn hoofd en een logge klomp in zijn maag, vroeg hij: 'Gaan wij nu naar Stade?'
'Ge hebt het mij toch horen zeggen.'
'Tegen wie spelen zij?'
'Dat zullen wij daar wel zien,' zei Papa en boerde, iets wat beleefd is na het eten bij de bedoeienen in hun tenten.
'Schoon volk,' zei Papa toen ze achter het doel gingen staan en achter de schrale schouders en de brede heupen van Nonkel Florent. 'Sommigen mogen dan wel zeggen: arm volk, ik zeg: het is mijn volk.'
Nonkel Florent had een grofgebreide trui aan en een beige pet op. Hij zakte een paar keer door de knieen en sprong, zich helemaal uitrekkend naar de bovenlat. Hij had dikkere beenbeschermers aan dan zijn ploegmaats.
'Dat komt omdat hij delicate enkels heeft,' zei Papa. 'Het zit in de familie. Dat en zwakke darmen. Voor de rest zijn wij van arduin, wij Seynaeves, he, vent?'
Tussen de opeengepakte mensen veranderde hij in een olijke, luidruchtige arbeider. Hij wuifde links en rechts met een slap handje naar lieden die hij niet kende. Hij is zelfs blij dat ik mee ben, een beetje trots misschien wel. Anders is het niet te verklaren dat hij af en toe zijn arm rond mijn schouder legt in het bijzijn van het gemeen volk met petten op, bierstemmen en zelfgedraaide sigaretten in de mondhoeken. Stade speelde tegen SK Waregem.
'Schopt hem naar 't hospitaal!' 'Charlatan!' 'Naar voren, Van Doren.'
'Afzijds!' 'Pinantie!' Een vette vrouw liet als de actie wat luwde een rauwe kreet horen, een onmenselijke zang, alsof de voddenkoopman op zijn ronde gefolterd werd: 'Wat gaat er daar van koo-meun?'
Als SK Waregem aanviel hoorde je alleen het droog zinderend tikje van de schoen tegen de bal. Als Stade-Walle voor het doel kwam, krijste Papa luider dan iedereen.
Nonkel Florent weerde ballen af met de vuist, de knie, de schoen eerder dan ze op te vangen. 'Seynaeve, houdt de muit toe.' 'Seynaeve, peinst op onze kindjes!' De voetbalkenners gaven te kennen dat Stade een mooie aankoop had gedaan. 'Dat geloof ik,' zei Papa en durfde nog niet te zeggen: Het is mijn broer.
Pas toen, na de match, in het cafe van het stadion, Nonkel Florent verscheen in zijn geruite golfbroek, met kletsnat haar en op de schouder geklopt werd door de verhitte Stade-supporters, drong Papa naar voren. Nonkel Florent gaf Papa een Engelse sigaret. Papa rookte haar op, puffend, zonder te inhaleren, het volmaakt rondgerold staafje tussen duim en wijsvinger, als een meisje. 'Florent, ge moet uw rechtervoet meer naar voor zetten als ge uitkomt, ge staat nog te veel met uw voeten op een lijn.'
'Staf, ge kunt mijn kloten kussen,' zei Nonkel Florent. 'Hebben we gewonnen of niet? Is er een in mijn muit geraakt?'
'Ge hebt geluk...' Papa zei het tot de joelende drinkebroers om hem heen, 'dat ge mijn jongste broer zijt, of anders...'
'Of wat?'
'Of ik leg u over mijn knie.'
'Gij, Staf? En hoeveel man gaat ge daarvoor nodig hebben?'
De supporters stootten elkaar aan. Louis voelde zich een broer van Papa en Nonkel Florent. Waarom was Vlieghe er niet bij? Of desnoods Dondeyne of zelfs Dobbelaere?
Een slungel met een wipneus zei dat als de linksbuiten van SK Waregem erbij geweest was, die nu aan 't afweergeschut stond bij de Duitse grens, Nonkel Florent geen enkele kans had gehad, want die linksbuiten schoot de ballen rakelings langs de grond.
'En gij kunt misschien wel een hoge bal wegslaan, maar in de tijd dat heel dat lui lichaam van u op de grond gezakt is, heb ik al tien Onze Vaders gezegd.'
Hij werd bijna gelyncht, trakteerde gauw. Hij wauwelde iets tegen Louis, die, hoogrood, knikte en toen een schuimende pint in zijn hand gedrukt kreeg.
'Ah, nee!' riep Papa en zette het glas met een afschuwelijk scherp geluid op de glazen tafel. 'Zijt gij helemaal onnozel?' Het gemorste bier vloeide op de vloer. 'Hola,' zei de Waregem-supporter, 'is dat de mode hier in Walle als een mens een pintje offreert?' Nonkel Florent zei: 'Toe, Staf laat die jongen...'
'Nooit!' schreeuwde Papa als op het voetbalveld.
'Hij kapt nog liever mijn handen af,' zei Louis, de omstanders lachten, Nonkel Florent het hardst.
'Gij gaat er een piskous van maken.'
'Hij heeft toch al zijn Plechtige Communie gedaan.'
'In Frankrijk geven zij kinderen van vier jaar al hun glaasje wijn.'
'Maar zeker. Om bloed te kweken.'
'Nee, nee en nee,' zei Papa. 'Dat ze hun eigen doodzuipen in Frankrijk, vrouwen en kinderen en clochards in de goot, zoveel dat ze willen, hoe meer hoe liever, maar bij ons in Vlaanderen...'
'Walle is smalle!'
'Voor Deinze gaan wij niet deinzen,' riep iemand gevat.
Nonkel Florent zei, 'Staf, gaat ge uitscheiden?'
'Hij is begonnen,' zei Papa als een Hottentot, en toen: 'Kom jongen.' Jongen. Het had nog nooit zo teder geklonken. Maar het duurde lang voordat de dienster zich gewaardigde te ontvangen. Papa wendde zijn rug naar zijn jongste broer en diens verheerlijkers en met het daartoe geeigende houten staafje prikte hij gaatjes in een met bruin papier beplakte doos die naast het portret van Koningin Astrid hing. De hoofdprijs was een porseleinen beeld van een oosterse danseres, met gouden en zwarte franjes rond haar heupen. Papa prikte twaalf keer verkeerd en kreeg als troostprijs twaalf repen chocolade met witte creme. Hij at er zes op toen zij naar huis gingen, Louis drie.
'Gij hebt nu zelf gezien wat voor een gemene club Stade is. Arm volk. Ons Vlaams volk, 't is proper. Ik doe het voor onze Florent, maar anders zou ik geen stap meer in Stade-Walle binnenzetten. Die ploeg is niets waard.'
'En Nonkel Florent?'
'Is ook niet fameus. Die lage ballen, daar is hij veel te dik voor.'
XIII Nonkel Robert
Louis glipte weg, maar toen hij voor het huis van Tetje en Bekka Cosijns stond waren de luiken dicht. Hij durfde niet aan te bellen en wachtte bij de voordeur. Aan de overkant, bij de schoenmaker, hielp een oude man een jong meisje een gasmasker opzetten, hij schikte de blonde haren van het rondogig beest met de slurf. In de Snellaertstraat was het snerpend geluid van de scharensliep te horen. Ineens dacht Louis - en de gedachte groeide, een savooikool die zwol, zijn binnenste innam - dat Bekka die nacht gestorven was en dat de familie Cosijns naar de begrafenis was.
In de naar machine-olie van Bekka's overall stinkende keuken zat Bekka erwtjes te doppen en zag hoe de reusachtige doodsengel zich door het open raam hees, op de vensterbank hurkte, nadat hij zijn brede, fluisterende witte vlerken onder zich had opgeborgen. Zijn ellenlange doorzichtige vingers gleden naar de erwtjes. De engel at ze op, sneller dan Bekka ze kon doppen.
'Niet doen, Holst,' zei Bekka. 'Alsjeblief, mijn moeder zal...' De engel gleed van de vensterbank, schudde zijn schouders zodat zijn vleugels weer mooi overeind rezen en spreidde de armen. Bekka liet de blikken pan met de schaarse erwtjes vallen en wipte naar de engel op om tegen zijn genadige borst te liggen, maar op dat ogenblik werd Holst onzichtbaar en wiekte weg zodat zij op de vloer terecht kwam met haar mond op de rand van een metalen bak die in de barak van de kleiputten had gestaan, haar tanden rolden over de vloer als ongave, witte erwtjes.
Louis haastte zich naar Mimi, de bakkerin, die met gekruiste armen in de deuropening van haar winkel stond.
'Een bruin broodje en een wit,' zei zij.
'Nee.' Vanuit de winkel vlotte een geur van vanille.
'Wat dan?'
'Niets. - De straat is zo leeg. Is er misschien een begrafenis?'
'Niet dat ik weet. 't Zou kunnen natuurlijk.'
'Maar ge zoudt er toch over gehoord hebben.'
'Ge zijt zo nerveus. Scheelt er iets?'
'De Cosijns zijn niet thuis.'
'Zij zijn naar de kermis.'
Bevend van woede liep Louis de Zwevegemstraat uit. Nooit meer. Nooit meer zeg ik ze goedendag. Het zijn bohemers, vreemdelingen. Zigeuners. Geen woord hebben ze mij gezegd over de kermis. Maar Papa en Mama ook niet, hoe kan dat? Bekka en Tetje zitten nu te joelen op de montagne russe, met de poedersuiker van oliebollen op hun gezicht.
Hij kwam voorbij het kasteeltje 'Flandria' waar Franstaligen aan het tennissen waren. Hij haakte zijn vingers in het traliewerk. De jongemannen met gelakte haren, lange witte broeken, speelden het gracieus, onbegrijpelijk spel met de witte ballen, rekten zich, wiekten met gebronsde armen, riepen Franse teksten naar dames die op het terras zaten en ijsjes uit kristallen bekers aten. Tegen deze onbezorgde, onbestrafte, arrogant in zichzelf opgaande, spelende wereld voelde hij zich verbonden met Papa die de 'Flandria' aanwees als 'de burcht van de vijanden van ons volk'. Als ik groot ben zal ik daar spelen in zo'n wit kostuum, ik zal de gehate taal, het Frans, meester zijn, meer dan zij. Straks, binnenkort, goed opletten in de Franse les van Zuster Engel.
Alhoewel het niet mocht zonder Papa of Mama, stapte hij naar BoMama's huis. Waar moet ik anders naar toe? Naar de kermis? Waar is die kermis? Ik kan het moeilijk aan een voorbijganger vragen. Die zou zeggen: 'Zeg, ventje, gij zijt zeker van alhier niet?' Overigens, ik heb geen frank op zak.
Tante Helene zei dat BoMama in bed lag omdat zij een valling had. Een bevalling? Dat kan niet bij oude vrouwen met een voet in het graf, zo'n kind wordt blindgeboren. Valling! Een verkouding! Tante Helene zei dat het niks betekende, het was zelfs waarschijnlijk dat BoMama helemaal niks had maar een kou voorwendde. Waarom? Dat zei Tante Helene liever niet, zij trok haar wenkbrauwen op in de richting van Nonkel Robert die het kruiswoordraadsel van De Standaard aan het oplossen was. Hij had Louis met moeite gegroet, iets gegromd met een potlood tussen de tanden.
Nonkel Robert was een jaar ouder dan Nonkel Florent, maar zag er tien jaar ouder uit. Hij woog meer dan honderd kilo.
'Een zwijn,' zei Papa. 'Geen beetje discipline, hij laat zijn eigen gaan, hij mest zijn eigen vet, hij gaat toevetten.'
Mama zei dat Nonkel Roberts 'nonchalance' begonnen was toen op een zomernacht zijn verloofde onvindbaar was gebleven en 's anderendaags geweigerd had uitleg te geven, alleen beweerde dat haar geweten rein was, maar Nonkel Robert had de voordeur uit haar hengsels gesmeten en was nooit meer teruggekeerd naar haar met wie hij gezworen had tijdens zijn aards bestaan het leven te delen. Hij had puisten gekregen in de volgende weken, waarvan je de sporen nog kon zien, rozige ongelijkheden op de wangen en in de hals.
Alle ramen stonden open. Tante Helene zou met de Grote Kuis beginnen. Er hing een geur van ammoniak. Of was het opnieuw de lucht van het metalen urinoirtje?
'Voila.' Nonkel Robert schoof de krant van zich weg. 'Hoe is 't met uw mama? Doet zij d'r nog een beetje aan voort, aan haar dracht? Voor mij gaat het een tweeling zijn.'
'Wat kent gij daarvan?' zei Tante Helene en knoopte een sjaaltje tot een tulband.
'Ge ziet het aan haar ogen.'
'Wat hebben haar ogen?'
'Zij staan alzo.' Hij werd een pafferige debiele vrouw met gesperde, schele ogen, zoog zijn wangen in zodat zijn onderkinnen uitbultten. Zoals bij Papa in 'Groeninghe' leek de afwezigheid van Peter, patriarch en alziende meester, een zekere uitbundigheid los te maken in deze zoon. Als de kat weg is, danst de dikke, puisterige muis.
'Zij moet het zelf weten, Constance, zij is groot genoeg, maar ik hoop dat zij ons moeder niet gaat nadoen met haar zeven kinderen,' zei Nonkel Robert en bleef scheel kijken. 'He, jongen?' De ogen weken uiteen, vestigden zich op Louis als op een volwassene.
'Dat is toch iets dat ze alleen kan beslissen,' zei Tante Helene snibbig. 'Ons broer zit er ook voor iets tussen.'
'Tussen, tussen, zeg dat wel.' Nonkel Robert staarde naar een zwerm mussen die in het tuintje neergedaald was. Tante Helene pelde een banaan, gaf de helft aan Louis, de helft aan haar bolle, botte broer.
'Kinderen! Waarom kopen ze niet gauw een hond, een tekkel. Of een papegaai. Als ze met alle geweld wat leven in huis willen. He, jongen?'
Op een morgen zal Nonkel Robert uit zijn bed stappen, in de spiegel kijken om zich te scheren en ontdekken dat alle puisten van zijn vroeger verdriet weer ontbot zijn in kratertjes, blaasjes, etterbuilen. Een melaatse waar geen Pater Damiaan nog iets kan aan verhelpen. Het voorgoed beschadigde zwijn in zijn grijs pak zal niet meer naar de bank durven gaan, de straat niet meer op durven, geschroefd blijven in zijn stoel met zijn kruiswoordraadsel. Maar dat zou BoMama te veel verdriet doen. Nee. Wij zullen genadig zijn, hem sparen.
BoMama had zeven kinderen, zoals de zeven kleuren van de regenboog, zoals de zeven plagen van Egypte, zoals de zeven broertjes van Duimpje. Wij rekenen daar de eerste Helene, liever gezegd Marie-Helene bij, een kind van twee dagen telt ook mee als genummerde ziel in de registers van Onze Lieve Heer. Het was overigens onverantwoord en Onze Lieve Heer tarten om een kind (Tante Helene, die nog altijd aan het frummelen was om haar nekhaar onder de tulband te krijgen) dezelfde naam te geven als een afgestorven kind. Alsof BoMama tot God zei: 'Ge hebt u misdragen door een Helene van mij weg te nemen, ik zal dat zelf repareren, ik heb meteen een ander reservewiel klaar, een andere Helene.' - Als ik kinderen heb zal ik hun namen zorgvuldig verschillend kiezen, zodat God ze goed uit elkaar kan houden. Dan kan hij er nog altijd zijn gedacht mee doen.
'Aan de andere kant,' zei Nonkel Robert, 'moet de Bond van Kroostrijke Gezinnen ook in leven gehouden worden. Wij zouden toch niet willen dat de Bond failliet gaat, want dan krijgen we geen korting meer op de trein. He, jongen?'
Een vliegtuig scheerde over het huis. Louis holde naar de tuin, maar het bleef onzichtbaar, de lucht trilde na. Nonkel Robert versperde de deur. Zijn buikomvang leek op die van Mama.
'Wij vliegen buiten, gij en ik. Ons Helene krijgt de kuisjeukte. Op zo'n moment is het vrouwvolk gevaarlijk. Kom, wij zijn weg.'
'Gij moet mij niet naar huis brengen, Nonkel.'
'Ik ga een eindje mee.'
Tante Helene hield een bezem in de hoogte alsof zij er Louis mee tot ridder zou slaan. Zij liet hem zakken, trok haar lippen wijd vaneen, toonde haar witte tanden. 'Wanneer moet ge weer naar Haarbeke?'
'Binnen vijf dagen.'
'Wij gaan dansen. Van als dat ik wat tijd heb. Denk niet dat ik het vergeten ben.'
Nonkel Robert nam de richting van de Vogelmarkt. Louis koos de kant van de huizen, het was een vergissing want zijn gevaarte van een oom liep steeds, uit angst voor een mogelijk voorbijrijdende auto, tegen hem aan. Nonkel Florent naderde op zijn fiets. Hij stopte, stond op een been, keek zijn broer niet aan die onmiddellijk zei: 'Wij gaan een toerke doen.'
'Hij mag niet op cafe, Robert. Van mij moogt ge, Louis, maar als uw vader erover zou horen, 't zou weer mijn schuld zijn.'
'Wij gaan naar de Verloren Weiden.' Nonkel Robert was bang voor de nieuwe keeper van Stade-Walle.
'Een beetje marcheren zal u deugd doen.' Nonkel Florent stond op beide trappers en wiegde. Zo staan de spurters, de prinsen van de wielersport, in een sur-place. Maar ook de klimmers van de Tour de France, bevroren op een krantenfoto, met achter hen de hemelhoge, besneeuwde bergen.
Felicien Vervaecke met zijn petje op. Een grimas van pijn kliefde zijn gezicht vol zwarte vegen. Hij zal de Tour winnen dit jaar. Nonkel Florent schoot naar voren, riep over zijn schouder: 'Zorg dat ge op tijd zijt om te kaarten, papzak!'
Zwijgend sjokte Nonkel Robert verder. Louis vertraagde zijn stap tot aan het park, waar zijn oom op een bank neerviel en naar adem snakte.
'Wij hebben een schoon traject afgelegd, he, jongen?'
Een zeer oude politieagent kwam voorbij die dwars door Nonkel Robert heen keek, aan zijn holster voelde en verdween achter de rododendrons. 'Kaersemaekers van de Tweede Wijk. Hij gebaart dat hij mij niet kent omdat gij bij mij zijt, en omdat hij niet weet wie gij zijt. Een serieuze mens, maar als hij zat is, houdt u vast aan het gras. Hij gaat altijd met mij mee naar de paardenkoersen in Waregem. In burger dan. Na zijn werk gaat hij behangen bij de mensen. Steek dat goed in uw hoofd. 't Is wel tegen het reglement, maar ge kunt geen betere werkers hebben dan de politie voor het schilderen en behangen. De gendarmen voor de loodgieterij. En de pompiers voor de elektriek. Ge moet natuurlijk uw voordeur sluiten want als de controle d'r op komt...'
Tegenover hen, tussen dahlia's en rozen, stond het kraakwit standbeeld van Koningin Astrid. Onze Koning had aanwezig moeten zijn toen het onthuld werd verleden jaar, heel Walle stroomde toe om de treurnis van de vorst te beloeren, maar hij had last van zijn rug, er kwam een generaal, een burggraaf, in zijn plaats, met de Koning zijn complimenten.
'Ge vertelt ook niet veel, gij. En toch ben ik zeker dat ge in het pensionaat een haantje de voorste zijt. Zijt ge benauwd van mij?'
'Nee, Nonkel.'
'De meeste mensen zijn op hun ongemak bij mij.' Hij haalde een homp okeren, droge kaas uit zijn broekzak, knabbelde eraan. 'De meeste mensen peinzen dat ik een luilak ben, zij denken dat op een bank werken pure luilakkerij is. Dat is niet juist. Wij doen serieus voort in de bank. Alhoewel het tegen mijn goesting is. Ik was liever beenhouwer geweest. Ik heb een diploma van de hotelschool, vergeet dat niet. Maar uw Peter zegt: ''Robert, trouwt eerst en ik installeer u direct." Maar om te trouwen moet ge godvermiljaarde met zijn tweeen zijn. En lijk dat hij getrouwd is, mijn vader, uw Peter, 't is ook geen schoon voorbeeld. Daarbij, waarom zou ik trouwen? Ik ben op mijn gemak, ik klop mijn uurkes, en 's avonds luister ik naar de radio of ga ik naar de cinema. Of lees ik mijn Lord Listers.'
'Mijn Papa leest die ook.'
'Het zijn die van hem.' Nonkel Robert stopte een nieuwe brok kaas in zijn zacht kolkende wangen.
'Trouwen. Zij hebben makkelijk zeggen. Wij zijn niet in Kongo waar dat ge vrouwen kunt kopen.'
Drie kwetterende verpleegsters kwamen langs. Nonkel Robert keek ze na, zocht toen zenuwachtig in zijn broekzak, kruimeltjes kaas zaten onder zijn vingernagels die hij schoon maakte met een lucifer.
'Zitten wij hier niet goed?'
'Ja, Nonkel.'
'Ik heb hier een keer twee meeuwen gezien. Peins een keer. Zo ver van de kust. En op een keer' - hij ging verzitten, hapte naar adem - 'op een keer, hier op datzelfde bankje waar dat wij zitten, hebben we onze chef een schone toer gelapt. Want onze chef kwam hier vroeger ook altijd zitten, 's middags, met zijn boterhammen met gehakt, naar de rozen kijken. En twee deugnieten van de rayon Deviezen passeerden en zij deden alsof zij de chef niet hadden opgemerkt. Zij gingen met hun rug naar hem toe, op dat bankske daar, zitten babbelen, luid genoeg dat hij alles kon verstaan. Dat was in de tijd dat Therese, de vrouw van de chef, een kleine verwachtte in de kliniek van Maria Middelares. ''Wel," zegt de ene, ''Tavernier is weer naar de kliniek geweest." "Hoe dat?" zegt de andere. ''Wat doet Tavernier in de kliniek?" "Allee," zegt de eerste, ''ge gaat toch niet zeggen dat ge niet weet dat Tavernier alle dagen achter de rug van de chef naar de chef zijn vrouw gaat in de kliniek!" "Maar," doet de andere, ''maar weet de chef van niks?" "Natuurlijk niet," zegt de eerste, ''Tavernier wacht totdat hij de chef schoon achter zijn bureau ziet zitten en dan koerst hij naar Therese met vers fruit en een boeketje viooltjes." - ''Dat wil dus betekenen dat dat kind van Therese..." - ''Maar allee," zegt de eerste, ''heel de bank weet dat toch." En zij wandelden verder. De chef is lijk een tijger de bank binnengesprongen, hij sleurde Tavernier van achter de kassa en beet in zijn oor. Tavernier die zag dat de chef zo zot deed, dacht dat hij het mond- en klauwzeer had en schreeuwde om een dokter. Wij lagen plat van 't lachen. Krom, plat lagen wij.' Nonkel Robert verviel in een lang stilzwijgen.
'En dan, wat is er dan...?'
'Dan hebben ze 't toegegeven, die twee. ''Chef, 't was om een beetje met uw kloten te spelen, om te lachen." Maar dat is toch in de chef zijn hoofd blijven spoken. 't Schijnt dat hij wreed lastig is thuis. En in de bank spreekt hij niet veel meer met ons.'
Nonkel Robert wiegde zijn hoofd, de spekrollen boven zijn kraag bewogen. Hij floot een deuntje uit 'De Lustige Boer', zei toen: 'En dan zouden ze willen dat ge trouwt.'
Arbeiders kwamen van hun werk, gehaast, zonder een woord. Wachtten op de tram.
'Wel, zitten wij hier niet goed?'
'Zeer goed, Nonkel.'
'Kijk, moest ge nu getrouwd zijn, dan zoudt ge direct naar huis moeten gaan. Waar hebt ge gezeten, Louis? - Hoe komt het dat ge zo laat zijt? - Hebt ge weer bij 't vrouwvolk gezeten? - Doe uw schoenen uit, ge schraapt mijn parket kapot! - Legt uwe paraplu niet op die zetel, Louis!'
Nonkel Robert knikte een paar keer goedkeurend, alsof iemand anders dit uitgesproken had, raakte steunend los van de bank. 'Allee, heft uw gat op!'
Achter de kiosk waar 's zondags de muziekkorpsen van Zuid-Westvlaanderen wedijverden. Langs een tuin vol heesters en exotische planten waarvan tante Berenice, de geleerde onder Mama's zusters en broers, de Vlaamse en de Latijnse namen kende. Bij een schommel.
'Zet u.' Nonkel Robert wees naar het verveloos plankje.
'Wij moeten naar huis, Nonkel.'
'Niet kinderachtig doen.' Nonkel Robert bukte zich, liet de plank zwaaien, ving haar weer op in zijn brede handen. Louis ging zitten, trok zijn benen op. Geestdriftig kraaiend duwde Nonkel Robert tegen Louis' schouderbladen. Louis schoot de hemel in, zijn schoenen hingen hoger dan zijn neus, de wereld vol bomen wiegde, kantelde vijf, zes keer. Louis voelde zich ijskoud worden, de savooikool in zijn ingewanden werd week, nat, breidde zich uit als een kwal met honderd gulzige grijpgrage slierten van vingers over zijn borst, zijn mond. Hij zag het groen, de kantelen van het postkantoor, de getraliede kiosk, de marmeren koningin driedubbel, hij werd steeds opnieuw door de juichende Nonkel Robert een weerzinwekkende ijlte ingeduwd, hij gilde, wou zich voorover laten vallen, durfde niet, de angstkramp zinderde door zijn armen, en toen kotste hij deinend en zwaaiend, hij werd zuur en heet en ijskoud. Nonkel Robert vloekte, trok aan een van de touwen waardoor Louis in een zwengelende beweging van het voetplankje schoot, zich aan het touw vastklampte, maar zakte, met verzengende handen. 'Laat mij,' riep hij, maar zijn keel weerhield elk geluid, schrijnde. Hij plofte in het zand en kreeg de plank in zijn nek en snikte. De vernedering was niet in te dammen, zijn gehuil stootte uit hem terwijl hij zijn wang langs het zand wreef. Hij zag de opgeblazen pop in een grijs pak die hulpeloos het touw vasthield en iets zei tot twee dames met een kinderwagen.
Louis veegde zijn ogen, neus en mond af met zijn mouw, kwam overeind, maar zijn knieen hielden geen stand, hij tuimelde zijwaarts, kroop op handen en voeten.
Nonkel Robert hees hem omhoog en hield hem tegen zijn buik.
'Allee, kalmeer. He, jongen! Allee, he?'
'Het is mijn schuld niet, Nonkel, het is... mijn lichaam...'
'Ja, ge hebt nog niet gegeten, dat is het. Dat komt ervan. En ik had het nog zo goed gezegd tegen ons Helene: ''Geeft die jongen een paar boterhammen met hoofdvlees." - Gij gaat toch niks zeggen tegen uw Papa, he, jongen? Want hij zou het weer op mij steken. En Constance zou denken dat ik het expres gedaan heb, terwijl ik het deed om u plezier te doen, omdat ge ernaar vroeg, om te mogen schommelen.'
Louis schraapte zijn zure keel. Ademde diep.
'Kom, naar huis. En rap,' zei Louis als een bevel. Nonkel Robert wou hem een hand geven, maar Louis deed alsof hij kots aan zijn broek afveegde. Zij liepen door het park. Louis floot het deuntje van 'De Lustige Boer' heel hard.
'Ik heb lelijk verschoten. Ik heb het nog op mijn zenuwen,' zei Nonkel Robert. 'Nu versta ik waarom mensen sigaretten roken. Of aan de drank geraken.'
XIV Het Land van de Glimlach
Volgens Papa was Het Pakket van de Soldaat (een vrijwilligersorganisatie die trachtte wat zon te brengen in het monotone leven van onze soldaten die over onze grenzen waakten) zijn eigen uitvinding en ontstonden de variaties die de winkeliers uit alle wijken van Walle bedachten als zij pakketjes met speelgoed en snoep en wollen sokken en ondergoed naar de grenzen stuurden alleen na grondig overleg met hem.
Zo had hij de Koko (Ko-op Kompagnie)-magazijnen geadviseerd hun pakket van Lutti-caramellen, tandpasta en schoencreme aan te vullen met leerzame artikelen uit zijn atelier, klasdagboeken, briefpapier dat ooit eens beregend was (maar zouden onze piotten, daar, aan de voeten rottend in het slijk, vlakbij Duitsland, wachtend, turend naar het waarschijnlijk toch aankomend monster van over de grens, letten op een paar rimpeltjes in het papier voor zij naar hun moeder of geliefde schreven?), tijdschriften uit 1935 en 1936, de brochure 'Het Leven van de Heilige Rita', het recente en enige nummer van het reclameblad De Leie, en vooral de onooglijke, dus handige schrijfboekjes (zo gemakkelijk voor adressen of dagboekgedachten), die op elke pagina bovenaan in gevarieerde lettertypes allerlei firmanamen droegen met een lijncliche voorstellende een motor, een sigarettenpakje, blikjes Mobiloil, vrouwenschoenen met bandjes rond de afwezige enkels, brillen, paraplu's.
Louis hielp in het atelier de pakketten gereedmaken, omslagen vouwen, plakken, rangschikken. Af en toe kwam een winkelier of industrieel zelf het lettertype van zijn 'reclame' uitkiezen, onveranderlijk de vetste, grootste letter.
'Ge gaat zien, meneer,' zei Papa, 'als die jongens weer komen, met verlof, zullen ze in de loopgraven ons cahiertje zo dikwijls gelezen hebben, alle dagen de naam van uw firma gezien hebben in die schone letters, dat zij thuis gaan komen en naar uw winkel vliegen met vrouw en kind.'
De derde avond voor Louis terugmoest naar het Gesticht vond de Gala-avond van Het Pakket van de Soldaat plaats in de Stadsschouwburg.
Mama zat voor de spiegel van de dressoir en bracht onhandig, alsof zij het voor het eerst deed, lippenstift op haar geperst mondje, zij likte haar lippen en sipte aan haar kelkvormig glaasje Cinzano. Met een vet potlood maakte zij de scheiding in haar haar donkerder en ging er toen mee over haar wenkbrauwen.
'Zou ik mijn astrakan aandoen, Louis? Ik kan hem laten openhangen.'
'Ge zult wel moeten.'
'Het is lelijk, he?' Zij duwde aan beide kanten van haar buik, terwijl zij ernaar keek in de spiegel. Was 'het' haar buik of haar kind? Alhoewel zij het tegenovergestelde wilde horen zei Louis: 'Het trekt op niets.'
'Moet ik nu mijn astrakan aan of niet?'
'Het is veel te warm voor astrakan.'
'Dat geeft niet.' Haar neus was roze en glom. Louis voelde aan zijn eigen neus die, zei men, op die van haar leek. Alleen mannen met grote gebogen adelaarsneuzen zijn in staat tot grote dingen, avonturen. Met hier en daar een uitzondering natuurlijk. Mama trok zijn das wat strakker aan, plette zijn oren tegen zijn schedel, keurde, liet de oren weer los die begonnen te flapperen als in het oerwoud die van de olifant die gevaar gewaar wordt op kilometers afstand.
Men toeterde onder het raam.
'Viens, mon beau cavalier,' zei Mama.
Nonkel Florent reed hen in een Chevrolet naar de schouwburg. Hij wou zelf niet naar het Gala. Dat was niks voor hem, zei hij, volwassen mensen die doen alsof ze Chinezen zijn en zingen dat ze dood gaan of verliefd zijn. Mama stak haar elleboog uit naar Louis. Hij gaf haar een arm en trok haar de marmeren trappen op terwijl zij steunde op de leuning. Eenmaal boven, waar Wallenaars in donkere kostuums en avondjurken stonden te keuvelen en elkaar beloerden, sloeg zij zijn onbuigbare, ijzeren, gepantserde arm weg en snauwde: 'Laat mij gerust.'
De poudre-de-riz op haar wang had natte plekken.
Terwijl zij met een krampachtig grijnsje tussen de mensen gleed, zag Louis dat zij binnensmonds, binnenshoofds, heiligschennende vloekende verwensingen uitte.
Zij plofte in de stoel van de loge die Papa voor haar met veel moeite had gereserveerd. 'Ge krijgt de schoonste plaats van de theater, Constance, al moest ik ze zelf betalen.' Louis boog zich over de roodpluchen rand van het balkon. Over de voor driekwart volle zaal vlotte een damp alsof de aanwezigen allemaal samen pijpen hadden gerookt of een brandje hadden aangestookt vlak voor de voorstelling.
Mama keek in haar handspiegel en poederde zich, iets wat niet een vrouw in de zaal deed, het was iets uit een Franse vaudeville. Lichtekooi.
Het programma, met een Belgische helm op de omslag, lag tegen haar buik, hij durfde het niet weg te plukken.
Applaus. Een rijzige heer kwam moeilijk van tussen de plooien van het voordoek en begroette 'ons allemaal hier aanwezig voor het schoon doel dat de edelste van onze jongens te velde ten goede zal komen, volledig en integraal, Mijnheer de Gouverneur, Mijnheer de Voorzitter van de Breydelzonen, Mijnheer de Administrateur van het Groeninghe Museum, Mijnheer de voorzitter van de Leiezonen en zeker niet te vergeten, wie zich zo onvermoeibaar heeft ingezet niettegenstaande zijn vele werkzaamheden, die Grote Leiezoon en behoeder van onze geestelijke levenswaarden, de schrijver van spirituele maar ook volkse boeken, ons aller Marnix de Puydt.' Op de vijfde rij stond een mollig mannetje met een lavalliere en lange blond-grijze krullen te wuiven.
'Als een vrouwmens,' zei een zure stem naast Louis.
'Bezie dat haar, juist een vrouwmens' - 'Gerard, houdt uw manieren!' Marnix de Puydt bleef wuiven met een poezelig handje. Mama glariede naar de lomperiken, zij wuifde hun hatelijke lucht weg met het programma. De spreker zei dat Belgie pal zou staan in de storm en verdween, gehaast en gebogen, alsof applaus hem wegjoeg. De rode gordijnen gloeiden, muziek zwol aan, nestelde zich in alle gaten en nissen, overspoelde alle aanwezigen.
Een chique salon waarvan de meubelen een gouden licht verspreidden. Mensen in avondkledij, dunner, sierlijker dan de mensen daarnet in de foyer, keuvelden. Een generaal hief zijn glas en had het over iemands dochter die een prachtofficier zou geweest zijn als zij helaas niet een meisje was.
Dragonders kwamen binnengewipt samen met Lisa, over wie net sprake. Zij heeft een paardenspringerij gewonnen. Lang zal zij leven! Lisa heeft het over liefde. Niet flirten, maar beminnen. Zij scheidt van Graaf Gustav von Pottensterk, 'Gustl', maar zij zullen goede vrienden blijven.
'Nu,' zei Mama. Zij legde haar hand in de witgehaakte handschoen op Louis' blote knie. 'Nu, let op.' Haar als een natte keisteen glinsterend oog gericht naar de man die binnenkwam onder applaus van de zaal.
Hij is klein zoals Napoleon, Hitler, Zuster Kris. Zijn gezicht is geel als oude pianotoetsen. Zijn gelakt, pijnlijk hard plat achterovergekamd haar is van eboniet, zijn ogen zijn de spleten van het ondoordringbare Oosten. Op vloeiende zwarte puntschoenen schuift hij in het licht van een onzichtbare lamp, kijkt smartelijk de zaal in, haalt diep adem en spreidt zijn benen.
Prins Sou-Chong heet hij. Hij komt hier in deze kamer, zingt hij, een heilige ruimte. Zijn hart klopt stormachtig. Maar dat hart moet stil zijn. Hij, Prins Sou-Chong, heeft zijn hart leren zwijgen. En als dat hart bij een Chinees breekt, wie gaat dat wat aan? Wij Chinezen tonen het niet.
Louis wil tegelijkertijd het hemelse lied van de gekwelde Chinees volgen, geen lettergreep missen van de kermende tenor, maar zich ook voor Mama verbergen, met zijn elleboog op zijn knie buigt hij zich voorover, zijn hand bedekt zijn wang, zijn wenkbrauw, zijn schrijnend oog en dit precies op het ogenblik dat op het toneel, in de chique salon zijn gele tweelingbroer, de prins, zich vermant, en hem aanmaant niets ooit te laten zien. 'Toujours sourire! Le coeur douloureux! Niets mogen ze merken!'
En daar komt zij binnen, de oppervlakkige westerse meid. Wil Zijne Hoogheid iets? Ja, zegt Zijne Hoogheid, een kopje thee. Nu blijkt dat dit salon in een paleis in Wenen staat. Zij praten samen zo charmant, en hij is zo galant, zingen zij bij zwellende violen en worden een paar.
Graaf Ferdinand Lichtenfels, maarschalk-luitenant, vindt dat Europa en China als vuur en water zijn. Kan ons niet schelen, roepen Prins Sou-Chong en Lisa. Alhoewel... Zij vinden ook dat zij elk van een andere wereld zijn. Ziet gij mijn vreemd gezicht niet, ziet gij mijn vreemde ogen niet? vraagt de prins. In de maannacht van april legt hij een appelbloesem aan haar voeten. Zij kussen terwijl het doek zakt.
'Wel?' vraagt Mama.
Louis wil zeggen: 'Schoon, het schoonste dat er op de wereld is.' Ik zal elk ogenblik in stompzinnige kleutertranen uitbarsten. O, waarom praat zij tegen mij?
'Is 't weer niet goed genoeg? Toch? Waarom kijkt ge dan zo stuurs? Waarom zit ge daar met zo'n vies aangezicht? Wat moet ik toch doen met u?' Zij groette een dame met een hoed vol fruit. 'Zeg goeiendag,' siste zij. Louis die naar zijn knieen en dijen kijkt, verbaasd dat zij niet saffraankleurig zijn, wel zijn ogen in schuine spleten voelt optrekken, knikt als een prins naar de fruitdame.
Harpen, klokjes, pauken weerklinken in het halfduister. Vanuit het gonzend donker licht een Oosters paleis op, bovengordijnen, pauwen. 'Ah,' doet het volk in de zaal. 'Lotusbloem,' zingt de prins; zijn zusje Mi, dat niet op hem lijkt al heeft zij dezelfde opwaartse vegen in de ooghoeken, kweelt 'Tsji, tsji, tsi, tsjitsjitsje'. Mama zoemt, tot Louis'afgrijzen, mee als de prins en zijn Lisa zingen van mijne liefde, uwe liefde, die zijn beide gelijk, en zij legt weer haar hand op Louis' knie. Prins Sou-Chong zingt: 'Haar is mijn hart gewijd. Waar zij niet is kan ik niet zijn.' Daverend applaus, bravo, bis. Dat moet verkeerd aflopen. Wie zo hoog, zo onmenselijk verheven zingt, moet eraan en ja, daar zegt Lisa dat zij haar geboorteland wil weerzien, het land dat haar roept: 'Kom naar huis, kom naar mij.'
Draken verschijnen met paddensnoeten en de bolle ogen van Tante Mona, zij wiegelen. Mandarijnen, meisjes met torenende hoofddeksels vol parels, priesters. En nu merkt men waar de rook vandaan kwam voor de voorstelling: vanuit het wierookvat dat door een kale, vette, in het oranje gehulde priester de zaal ingezwaaid wordt. De eerste rijen kuchen. Slavinnen, bruidjes. Walle heeft dit nog nooit gezien.
'Ah.' 'Ah.' 'Schoon, he?'
'Ja, Mama.'
Louis begrijpt niet zo goed wie er trouwt op het toneel, in al dat geklater? Waarom is Lisa zo nerveus en perst zij haar gespreide vingers tegen haar hart? De muziek geeft geen uitkomst. Waarom gooien die Chinees geschminkte kinderen Papavers op de weg, die opspringen als knikkers? Prins Sou-Chong verschijnt, hij draagt een vracht medailles op zijn borst als Hermann Goering. Paarse en gouden mannen omringen hem, waaien met pauwenveren langs zijn peinzend gezicht. Ah, nu snap ik het. Hij trouwt met drie prinsessen tegelijk en dat vindt Lisa vervelend. Terecht zet de prins haar op haar plaats. 'In China hebben vrouwen niks te vertellen,' fluistert Mama.
'Gij hebt mij bedrogen,' zingt Lisa. 'Gij zijt als een panter en wreed als China zelf! Sla me. Maar mijn hart kun je niet bevelen.' De prins slaat verwoed op een gong. Zij wordt weggesleurd. De prins stort in elkaar. Wat heb ik gedaan, wat heb ik gedaan? Want hij is zich de gruwelijke zeden van het Oosten niet bewust. Zo onwetend zijn wij. Zo doen wij toch de zonde. Of we 't willen of niet. Nog nooit is het voor Louis zo hartverscheurend duidelijk geweest wat er gaande is in het Gesticht, in de Oudenaardse Steenweg, in de hele wereld.
In de foyer waar de schouwburgbezoekers tateren in plaats van het gebodene ernstig te overdenken, drinkt Mama een Mandarine, haar aangeboden door meneer Messidor van de bloemenwinkel die informeert of Louis voor dokter zal leren, later.
'Hij heeft sterke handen,' zegt Mama vaag. 'Dat wel.'
Mijnheer Messidor zegt, dat hij uit betrouwbare bron vernomen heeft dat in Duitsland de officieren meer dan ooit tevoren vreemde talen moeten leren, waaronder het Vlaams. Dat zijn tekenen aan de wand, Madame Seynaeve. En eigenlijk speelt 'Het Land van de Glimlach' zich in Duitsland af, want Wenen is nu Duits, en Frans Lehar is ook een Duitser, alhoewel hij geboren is in Komaron in Hongarije, en was dat wel een goede keuze vanwege 'De Leiezonen' in onze neutrale zone?
'Ik vind dat de "Graaf van Luxemburg" menselijker is,' zegt iemand.
'Nu dat ge 't zegt,' zegt Mama.
'Dieper van gevoel,' zegt iemand.
'Daar is iets van.' Louis begrijpt niet dat Mama zo ruggengraatloos instemt met het gezwets. Of komt het omdat zij haar kind, het nieuwe, het andere dat zich wegsteekt in haar buik, wil laten voelen dat ze goed is, inschikkelijk voor alle mensen.
Mijnheer Messidor zegt dat Mama goed moet uitkijken als zij speelgoed voor Louis koopt, want uit betrouwbare bron heeft hij vernomen dat het beroemde speelgoed uit Neurenberg bespoten wordt met ziektebacillen, op persoonlijk bevel van Hitler, en tegen de helft van de prijs aan smokkelaars verkocht die het in ons vaderland, in Frankrijk, in Holland verspreiden.
Na de pauze is Lisa treurig. De danseressen proberen haar op te vrolijken, het lukt niet. Zij zeurt dat alles voorbij is. Ook Mi, het zusje van Prins Sou-Chong, dat zo overdadig zong: Zig zig zig hi! (wat Louis onhoorbaar trachtte mee te zingen want hij moest het beslist aan de Apostelen voorzingen in het Gesticht straks, binnen drie dagen) is ongelukkig en wuift haar blanke verloofde of vriend of kameraad, diezelfde Gustl van in het begin, vaarwel. Lisa wil weg naar Wenen. Sou-Chong verspert de uitgang. Maar dan wordt hij door Onze Lieve Heer met Zijn Genade overspoeld, want hij ziet in dat hij haar moet laten gaan, die gele heilige, hij zegt: 'Ga dan, gij, het kostbaarste dat ik heb op aarde! Adieu!' Alleen, alleen is hij dan en zingt dat hij weent en weer klinkt die gevaarlijke, smeltende melodie die de verschrikkelijke wet huldigt: 'Toujours sourire, le coeur douloureux!'
Nieuwe rook, die ditmaal ochtendnevel moet verbeelden. De eerste rijen hoesten, kuchen. Een tuin vol krijsende kinderen, koelies die wagentjes voortduwen, soldaten, Chinees gejengel, zig zig zig hi! Gemiauw in brokaat. Mama is vervelend, onverdraaglijk. Zij plukt aan Louis' mouw. 'Ziet ge hem?'
'Ja, natuurlijk.' De prins hijst zich in het gouden jasje dat de Heer van Tienduizend Jaar hem nalaat, met een gesloten gezicht, toujours sourire.
'Nee. Daar.' Zij wijst. (Doe dat niet, Mama, men ziet u.)
'Waar?'
'Die van rechts.' Zij grinnikt, mijn moeder, wrijft over haar buik van genot op de maat van de muziek. 'Stomkopje!' Zij wijst weer, weet zij dan niet dat je niet mag wijzen als een hele feestzaal je ziet? ('Ge kunt haar niet onder de mensen brengen!' zei Papa.) Mama duwt met haar elleboog in zijn ribben en Louis ziet dan rechts een koelie met een weke buik die leemrood geverfd is (zoals rood is als je een tijdje in de zon gezeten hebt en je kijkt ineens in de schaduw naar iets roods). De man met Papa's neus en mond zingt, wiggelwaggelend in een wijde Oosterse broek waar de buik over hangt, zijn gezang is opgenomen in het totale gekrijs. 'Osjin-tien-wuo-men.' Een koelie. Een vader. Halfnaakt en geverfd. Waarom loopt hij thuis niet zo rond? Zij, naast mij, met haar buik, is trots op hem, in ieder geval lacht zij vertederd om hem, om zijn overgave, zijn plotse vederlichte trippelpasjes. Vermomd durft hij wel, Papa-koelie. Applaus. Papa groet, niet ver van de Westers breeduit lachende Prins Sou-Chong in wie wij nu Alfred Lagasse, tenor en apotheker herkennen, en zoekt zijn zoon maar vindt hem niet.
Mama wuift, maar de koelie is te opgewonden, vindt zijn zwangere vrouw niet. Als het volk naar buiten drumt, blijft Mama zitten.
'Kom, Mama.' Want de mensen vragen zich af wat haar scheelt, of zij ziek is, of zij nu een kind ter wereld zal brengen begeleid door de na-ebbende oosterse tempelklokjes.
'Nee.'
Dan weet Louis wat ze zal doen, die krankzinnige moeder. Zij zal hetzelfde doen als hij, jaren geleden, toen hij, als een kleintje, voor het eerst in dit theater kwam, en de operette 'De Bommelbaron' zag. Toen de zaal bravo roepend, applaudisserend meezong met 'En laat de boel maar draaien - en laat de boel maar gaan' had hij gehuild omdat hij voelde dat het bijna afgelopen was, en toen het voetlicht eindelijk, na tien keer op en neer aan- en uitgaan, definitief gedoofd was, en de mensen weggingen, was hij in zijn stoel blijven zitten, wou er niet uit, wou niet begrijpen, aanvaarden dat de Goden en Godinnen in het hemels licht, in hun smokings en briljanten en ruisende baljurken, gepoederd en kwelend, hem in de steek lieten. Hij trappelde, zijn vingers die krampachtig de stoel omklemden werden losgewrongen. Papa sleurde hem weg bij zijn kraag en zijn haar.
'Kom nu toch. Wij moeten weg.' Zij poedert haar neus. Zij knipoogt naar hem. Vrouwen kunnen niet knipogen. Alleen BoMama. Zij staat nonchalant op, trekt haar witte handschoenen strakker aan, gaat snel door de lege gang aan zijn arm. Louis ziet dat haar jurk bij de benen kletsnat is. Hij glimlacht naar haar met gele dunne lippen en zij, zij herkent de prins niet die nooit, nooit iets zal laten merken van wat er woelt in zijn ondoordringbaar oosters hart, toujours sourire.
De laatste dag van de vakantie vertelde Bekka Cosijns dat haar grootvader de avond tevoren overleden was. Hij was al jaren blind, omdat hij ooit een slechte vrouw gestreeld had en toen over zijn ogen gewreven had. Bekka had alvast een zwarte sjaal over haar voorhoofd gebonden als een zeerover, en droeg schoenen van haar moeder die te groot waren, maar waarmee ze wel naar de begrafenis moest.
Nonkel Florent kwam langs op de fiets op het ogenblik dat Bekka op Louis' heup steunde om haar schoenen los te wrikken. Hij remde.
'Aan 't vrijen, Louis?'
'Hij? Hij is nog nat achter zijn oren,' zei Bekka.
'Ik moet binnen in 't leger. De Koning roept mij,' zei Nonkel Florent.
'Zonder u zou 't Belgisch leger niet compleet zijn,' roept Bekka uitdagend.
Zij keken gedrieen naar het meisje aan de overkant dat elke dag haar gasmasker aantrok, zij stond met haar handen in haar zij en sprak in zichzelf want de monsterachtige, geribbelde slurf zwiepte heen en weer. Toen Nonkel Florent het peukje van zijn Engelse sigaret wou uitdoen op de richel van de vensterbank, klauwde Bekka ernaar. Zij haalde diep in, het rode stipje vervaarlijk dicht bij haar neus.
'Gij zijt er ook vroeg bij,' zei Nonkel Florent.
'Met wat?'
'Met roken. Onder andere.'
''t Is goed voor de zenuwen,' zei de zigeunerin. Ze vertrapte de peuk met haar naakte hiel.
De laatste avond van de vakantie zei Mama tegen Tante Mona, terwijl Louis in de cosy corner in een van Papa's Lord Listers las, Het Testament van Dokter Witherspoon: 'Zie hem daar zitten, mijn Louis. Dat zit daar maar of dat loopt daar maar, en ge weet niet wat hij peinst, zijn aangezicht is lijk zonder leven.'
'Shirley Temple, dat is een vief kind,' zei tante Mona. 'Ge kunt al hetgeen ze voelt op haar gezichtje lezen. - Maar misschien is dat de nieuwe methode die ze volgen in het pensionaat, dat ze de kinderen van jongs af aan leren om...'
Mama was ongerust. 'Louis, leren ze u in Haarbeke om zo'n gezicht op te zetten?'
'Maar nee. Mijn aangezicht groeit zo, dat is alles.'
'Ik kan niet zeggen dat het mij veel plezier doet.'
Toen hadden de twee vrouwen het over nieuwe gordijnen tegen de tijd dat het kind er zou zijn, over de mode die veel Schotse ruitjes voorschreef, en 's avonds organza en crepe de Chine met nogal grote bloemen, en over een ceintuur in satijn-latex zonder baleinen als het kind er eenmaal was. Mama zei dat als alles ging zoals 't moest gaan, het kind geboren zou worden precies op de verjaardag van de dood van haar vader, en dat zoiets Meerke een groot plezier zou doen. 'Alhoewel, met mijn moeder weet ge nooit,' zei ze.
XV Een knuppeltje
's Ochtends, opnieuw in de rij, opnieuw gehoorzaam, opnieuw omringd door Hottentotten. De speelplaats leek kleiner geworden, vierkanter, geslotener. Zuster Sapristi zei: 'Seynaeve, uw mond houden,' alhoewel hij geen woord gezegd had. Maar Louis begreep het, zij was het die hem gisterenavond laat had overgenomen van Papa, ja, zoals een postzak in het Wilde Westen uit de stoffige koets wordt geladen. Zij had gegeeuwd. 'Ik dacht dat gij niet meer zoudt komen, Mijnheer Seynaeve.' Papa had hartelijk, kuchend, gnuivend gelachen. 'Zuster, de Seynaeves hebben de beleefdheid van de koningen. Zij zijn wel een beetje te laat soms, maar altijd op tijd.' Zuster Sapristi, doodmoe, geeuwend, knikte. Zij bracht Louis naar de slaapzaal, een late werkzuster was nog bezig in de keuken met pannen, Hottentotten snurkten, iemand vlakbij, Dondeyne?', zei in zijn slaap: 'Heui, heui, het sneeuwt!'
De keien van de speelplaats waren nat van de regen van vannacht. De rij van de kleintjes was schraal. Kleintjes mochten soms een paar dagen langer op vakantie blijven. Vlieghe is er ook niet. Tijdens de hele vakantie heb ik hem vergeten. Hoe kan het dat ik hem nu zo hevig mis. Kan hij alleen, kan ik alleen in het Gesticht gedijen? 'Wat dat ik in de vakantie tegengekomen ben! 't Was proper,' zei Byttebier naast hem.
'En bij u, was 't ook...?'
'Hoe? Ook?' Opnieuw wennen aan de geheimtaal, de verwijzingen naar iets wat te raden is.
'Bij mij was 't ook proper,' zei Dondeyne. 'Ik werd altijd maar uitgelachen. Lijk of dat ik uit een dierentuin kwam. Zij lachten met mijn kleren.'
'Draagt ge dan die kleren thuis?' vroeg Louis. De lange zwarte kousen, de lange korte broek, de matrozenkraag, de strohoed?
'Ik heb geen andere.'
Het verbaasde Louis. Hij was dankbaar dat Mama hem dit bespaarde, dat zij het onderscheid maakte tussen een geuniformeerde Louis in de gevangenis en een bijna speels, bijna jongensachtig kind bij haar thuis dat in gewone kleren - alhoewel niet de vieze, slordige van Tetje - mocht ravotten. Mama was verdrietig geweest gisteren omdat hij wegging. Of niet?
Hij zou haar vanavond een brief schrijven, met de ronde pen, alle komma's en punten en hoofdletters verzorgen. Lieve moeder, waarom moeten wij elkander altijd (of: immer?) zo rap (of: gauw?) verlaten? Als ik u de volgende maand zal ontmoeten met mijn nieuwe broeder (of: broeder of zuster?) zal ik u mondelings zeggen hoe zeer ik uw genegenheid waardeer en waarderen zal tot mijn dood toe, uw kind (of: uw eerste kind?) dat u bemint, Louis Seynaeve.
's Avonds zat Vlieghe op zijn gewone plaats in de refter. Hij was bruinverbrand, had bredere schouders gekregen, zijn haar was opzij gekamd met een scheiding. Toen hij Louis zag, deed hij het Apostolisch teken voor nood of gevaar, traag trok hij een horizontaal lijntje over zijn keel met zijn duim, maar meteen daarna knipoogde hij. Er was geen gevaar.
Zij aten roggebrood met smout en aardbeienjam terwijl Zuster Kris de boodschap van Paus Pius de Twaalfde voorlas, het was steeds dezelfde boodschap, het geloof zal zegevieren in de strijd tegen materiaal, materialisme, de beschaving zal triomferen, zij die menen dat zij de nederigen verheffen zijn in feite de godloochenaars. Vlieghe scheen de woorden van de Heilige Vader voor het eerst te horen of te begrijpen. Alsof hij een kleintje was gebleven. Zoals in de tijd dat hij en Louis kleintjes waren en op een dag van Zuster Kris in de klas te horen kregen dat er een wedstrijd was voor wie het mooiste bloemen kon tekenen en kleuren in waterverf. Je mocht zelf kiezen welke bloemen. De winnaar zou - houdt u vast - want dit is voor 't eerst in de geschiedenis - naar Rome, de Eeuwige Stad, afreizen op kosten van het Vaticaan en daar in de appartementen van Zijne Heiligheid door de Paus in eigen persoon ontvangen worden en een autoped overhandigd krijgen met een nummerplaat van het Vaticaan, en daar zijn er niet veel van. De keuze van de bloemen is vrij, zoals ik al zei, maar iedereen weet dat de Heilige Vader het meest van het nederige viooltje houdt. Maar zelf legt hij op het graf van zijn moeder altijd rode rozen. Louis maakte, hij was er zeker van, het mooiste plaatje. Hij had bijna alle tinten van de waterverfdoos door elkaar gemengd, met in hoofdzaak rood en blauw. Als hij zijn ogen halfdicht kneep - en hij hoopte met bonzend hart dat de Paus en zijn kardinalen dat ook zouden doen - dan had hij het gevoel dat hij zo die bloem van het papier kon plukken. Als de Paus hem straks maar niet vroeg welke bloem het was. Zuster Kris liep langs de banken. Bleef iets langer bij zijn bank staan. Zij wou niets verraden. (Zoals zij ook nu niets verraadt, terwijl haar messcherp profiel, dat van de adelaar, de boodschap van de Paus voorleest. Een woeste adelaar. Zoals Hitler er een cadeau gekregen heeft van het hele Duitse volk voor zijn verjaardag. Uit bewondering voor het moedig dier heeft hij het meteen vrij losgelaten in de Duitse lucht.) 'Het is niet slecht,' zei Zuster Kris bij de bank van Vlieghe. Het gaat tussen ons tweeen. Vlieghe mag niet winnen. Tergend traag gaat Zuster Kris naar het schoolbord, zij draait het om en verborgen schrijft zij een te lange tijd te veel namen. Geeft zij aan iedereen punten? Zij komt vanachter het bord, gooit het krijt in de bak, wrijft haar rechterhand af aan haar veel gewassen, bleekblauw schortje. 'Wie, o, wie?' zegt zij. Louie-o-wie! Met een felle zwaai draait zij het bord om. Er staat een maanmannetje in krijt op getekend, het brengt een reusachtige wijdgespreide hand naar zijn neus, de duim raakt de neus en uit de monsterlijke negerlippen zwelt een blaas, waarin de letters 1 April staan, en het is waar, die dag was Een April, de dag waarop men de zotten zendt waar men wil. Zuster Kris lachte, niemand anders.
Zo tam, zo potsierlijk aan diezelfde Zuster overgeleverd, lijkt Vlieghe nu. De eerste vergadering van de Apostelen vond die nacht plaats in de kamer waar de was opgestapeld lag in rieten manden.
'Ave Dondeyne,' 'Ave Byttebier,' 'Ave Vlieghe,' 'Ave Seynaeve,' 'Ave Goossens.' Vlieghe had een nieuwe tabbaard aan, wit met een kersrood biesje aan de hals en de mouwen. Hij haalde een prentje te voorschijn, slordig uit een tijdschrift geknipt.
'Voila. Daarom zijn de Duitsers de sterksten van de wereld.' Een woudgroene metalen sprinkhaan met een geruite muil en een turkooizen onderbuik.
'De Dornier, 355 kilometer per uur.'
'Hoeveel Duitsers kunnen er in?'
'Zes. Zij noemen het Het Vliegend Potlood.'
De andere Apostelen knikten zwijgend. Goossens had de Verboden Boeken op zijn knieen, behandelde ze zeer voorzichtig.
'Het was weer proper bij mij thuis,' zei Byttebier. 'Wat ik tegengekomen ben.' 'Ik heb een verboden beeld thuis,' zei Louis meteen. 'Na de grote vakantie neem ik het mee. Het stelt een Duitse jongen voor die de eed aflegt aan Hitler. Het is goddeloos want Hitler denkt dat hij God zelf is.'
Zij namen het als iets vanzelfsprekends aan. 'Ik heb ook nog een dolk van een persoonlijke lijfwacht van Hitler.' Zij reageerden iets alerter. 'Hij is van roestvrij staal.' Hij wachtte, zei toen wanhopig: 'Als ge goed kijkt, zit er nog bloed aan.'
'Dat zal dan van Duitse bloedworst zijn,' zei Goossens. De Apostelen proestten en Byttebier sloeg drie keer op Goossens' rug. 'Gij zijt een geestigaard, gij.'
'Stil!' zei Louis nijdig. 'Wilt ge dat Zuster Kris ons hoort?'
'Het is Zuster Imelda die de nachtronde doet.' O, die Goossens. Wist hij dan niet dat van alle Zusters Zuster Kris de gevaarlijkste is? Al slaapt zij nu in het Slot, met een hoofdkussen op haar hoofd, dan nog kan zij geluidsgolven opvangen, dwars door de vestingmuren heen, dan nog begint haar neus te trillen als van een konijn en zeilt zij naderbij, onhoorbaar, ineens vlakbij.
'Bij mij thuis was het ook proper,' zei Dondeyne tegen Byttebier. Louis, de stichter en leider, zei: 'Goossens, neem de Akten en schrijf op.' Vlieghe, die de officiele Evangelist was vanwege zijn mooi handschrift, keek niet eens op. Er zouden eigenlijk geen vakanties mogen zijn, die alles vertroebelen, verstrooien, tenietdoen. Louis dicteerde. 'Een nieuw tijdperk treedt aan. De Apostelen thans aanwezig, zullen stappen ondernemen...'
'In overleg,' zei Byttebier.
'Zullen in overleg stappen ondernemen om...' Hij wist bij benadering niet wat er moest volgen. Vlieghe inspecteerde zijn vliegtuig. Zeer ver weg was de fontein voor het beeld van de heilige Jozef te horen.
'...Ondernemen om een heilig persoon die gevangen is gezet vanwege haar onverzettelijk geloof namelijk Zuster Sint Gerolf,' Goossens schreef zwierig. Louis flapte de rest er uit. '...Een bezoek te brengen!'
'Dat zal niet makkelijk gaan,' zei Byttebier.
'In haar kamer?' vroeg Dondeyne bang.
'Ge kunt niet langs de buitenmuur naar binnen klimmen,' zei Vlieghe. 'In ieder geval gij niet.'
'Gij wel zeker!' zei Louis.
'Ik wel,' Vlieghe zei het achteloos maar zijn geweldige hoogmoed spoelde tegen Louis aan als een golf zout water. (Verleden jaar in Blankenberge, de golf die brak en hem midden in zijn gezicht een klap gaf.)
'Zuster Sint Gerolf is niet heilig,' zei Goossens.
'Het was bij manier van spreken. Schrijf dan op: een gelukzalig persoon.'
'Is zij ook niet.' Goossens legde het schrift op de vensterbank, pulkte een sok uit de dichtstbijzijnde wasmand, rook er aan, stroopte de sok als een handschoen over zijn rechterhand. Rebellie. Wou dus niet meer schrijven. Wat was er in de vakantie gebeurd? Een makke vleistaart die omgetoverd is tot opstandeling terwijl hij kersvers tot Apostel verkozen is! Hoe temde de landvoogd Willem Tell? Een leider mag alles, maar hoe? Ik krijg u plat, plat. Louis sloeg een flutterige nachtvlinder plat. 'Het plan dat ik u allen (alsof hij zich richtte tot een speelplaats vol leerlingen) wil voorleggen is het volgende...'
Goossens haalde van tussen de Verboden Boeken die hij zo gekoesterd had, een dubbelgevouwen blad, plooide het open en liet het aan Vlieghe zien (een nieuwe overtreding). Vlieghe legde het blad voor iedereen zichtbaar op een wasmand. Een man die voor de helft gevild was, stond wijdbeens te gapen of te schreeuwen, zijn ontvleesde kaken waren gesperd. Vanuit zijn kale schedel schoten stippellijntjes en cijfertjes als een aureool, bundels gele, oranje en baksteenrode spieren en zenuwen waren zichtbaar, ribben, doormidden gehakte aders kruisten elkaar.
'Zijn fluit is ook gevild,' zei Byttebier.
'Ge kunt beter zeggen: zijn trompet,' zei Goossens die dit tijdens de vakantie verzonnen had natuurlijk. Toen hij het schaamteloze rode deel zag, waarin rode nerven getekend stonden, begon Louis te klappertanden. Hij voelde koude rillingen door zijn lichaam trekken. Hij sprong overeind, nam het papier, hield het achter zijn rug.
'Niet scheuren!' riep Goossens.
'Nee. Dit is verboden.'
'Precies,' zei Byttebier. 'Een Verboden Boek.'
'Dat is toch de bedoeling,' zei Dondeyne.
'Dit is geen echt verboden boek,' zei Louis onzeker. 'Dit is vuil, smerig...'
'Ach, Seynaeve, loop naar de maan met uw zever.' In geen jaren had Vlieghe Louis bij zijn familienaam genoemd.
'Al de namen van de zenuwen staan er op, in 't Vlaams en in 't Latijn.' Goossens deed een stap in Louis' richting. Als een berggeit zal hij op mij springen.
'Goossens, gij zoudt beschaamd moeten zijn,' zei Louis. Hij legde het blad op de vensterbank. Op de achterkant stond een gebogen ruggengraat, die van een haring. Hij ging op het papier zitten.
Buiten struikelde iemand over een emmer.
'Geef dat papier hier,' zei Vlieghe en stak zijn hand uit, greep Louis' tabbaard bij de hals en trok Louis van de vensterbank. Op het ogenblik dat de vastberaden, harde knokkels tegen Louis' borst schuurden voelde Louis iets zeer behaaglijks, warms als warm water over zijn onderbuik vloeien, zich verspreiden, zich samenknopen. Hij schrok zo dat hij Vlieghe liet begaan die het papier knorrig aan Goossens gaf, hij voelde en zijn vingers ontmoetten onder het linnen een knuppeltje dat een eigen leven was beginnen te leiden, het was een stompe zachte houtsplinter, nee, een gewricht dat zich in zijn fluitje had gewrongen van binnenin, het zou nooit meer weggaan, vastgeschroefd blijven aan zijn buik, een gezwel, een straf, eindelijk. Hij las in de blikken van de anderen dat hij door de engelen gestraft was. In paniek wou hij om hulp roepen, onweerstaanbaar gleed zijn hand weer naar zijn kruis, het melaatse, gebochelde, hete stigma stond er nog geplant. De engel van de Vuiligheid wiekte de kamer in, duwde twee vingers in Louis' oogkassen. De engel tilde Louis op en smakte hem met een uitzinnig maar dodelijk stil geweld tegen de deur die zich opende, Louis viel tegen de leuning in het trappenhuis, rende de trappen af, pas beneden stopte hij, bedaarde niet. Hij perste zijn onderbuik tegen de in marmer geschilderde koele wand, verpletterde de wortel die de engel in zijn lid had geplant tegen de oppervlakte, die warm water werd, maar zich niet opende als voor Mozes de Rode Zee.
XVI Het scapulier
Baekelandt kwam twee ijzersterke gasten halen. Vanzelfsprekend wees Zuster Imelda Byttebier aan die zij als een rund beschouwde dat zo snel mogelijk uit het Gesticht verwijderd moest worden, en Louis omdat zij merkte dat die er helemaal geen zin in had. 'Pak hem d'r ook maar bij,' zei Zuster Imelda en wees naar Vlieghe.
'En avant, marche!' blafte Baekelandt, en stapte weg, keek gefronst naar de daken van het Gesticht of er geen parachutisten op landden.
De drie moesten prikkeldraad helpen aanbrengen bij een slootje. Dubbeldik dwarsgevlochten roestvrij. Baekelandt zong de lof van zijn prikkeldraad dat hij met een schone procent gekregen had bij Bekaert. Tegen september zou het hele klooster omgeven zijn. De nonnen hadden geen idee van wat het kostte. 'Zuster Econome begint altijd meteen te roepen en te tuiten. Maar als ge u niet beveiligt, kost het nog veel meer, juist of niet?'
'Een tank rijdt er dwars door, door uwe prikkeldraad,' zei Vlieghe. 'Het moet niet eens een pz zijn van de Duitsers.'
'Ola, manneke, maar het voetvolk moet er toch ook langs!'
'Het voetvolk,' deed Vlieghe smalend.
Baekelandt pruimde, spuwde. 'Wij hebben wrede dingen gezien en wij gaan nog veel wrede dingen zien.'
Zij werkten in de zon, dronken de sterk aangelengde karnemelk die Trees bracht, luisterden naar de sterke verhalen van Baekelandt, de kikkers in de sloot hielden niet op met kwaken. Zij zweetten, Byttebier kreeg alle complimenten van Baekelandt om zijn behendigheid en zijn spierkracht. Toen haalde Louis de draad iets te hard aan op een ogenblik dat Vlieghe niet oplette, Vlieghe gaf een stil gilletje, zijn duim was ontveld. 'Als ge daar niet tegen kunt,' zei Baekelandt toen hij de wond inspecteerde. Vlieghe haalde een vuile zakdoek te voorschijn en wikkelde hem rond zijn duim.
'Ik heb het niet expres gedaan.'
'Het is altijd hetzelfde met u,' zei Vlieghe.
'Hoe dat?'
'Wij spreken er niet meer over.' Vlieghe nam zijn hamer op en sloeg krammen in een paaltje alsof hij Miezers verpletterde. Nee. Vlieghe gelooft niet in de Miezers. Wie wel? Louis zag dat zijn eigen zakdoek betrekkelijk schoon was, hij beet erin en scheurde er twee repen van en bond ze rond Vlieghes duim. Hij deed er lang over. Toen de lintjes strak gespannen zaten nam hij de lichte hand op, bracht haar naar zijn gezicht, keek naar de roze vingertop die met de beginwelving van de nagel boven de rafeltjes uitstak en likte eraan, zoog eraan.
'Schei uit,' Vlieghe trok zijn vinger niet terug.
'Het is tegen de klem,' zei Louis onduidelijk, 'de roest moet eruit, anders wordt uw hand afgezet.'
'Roest,' riep Baekelandt. 'Splinternieuwe draad van Bekaert, recht van de fabriek!'
''t Is een echte infirmiere,' zei Byttebier. 'Baekelandt, als ge nog eens een malheurke hebt met een koe kunt ge er onze infirmiere bij halen.' Waarop Vlieghe zijn hand wegsnokte.
'Het is alleen voor u dat ik het doe,' fluisterde Louis.
'Ja, ja. Wij kennen dat,' zei Vlieghe.
Toen zij terug naar de muur van het klooster gingen en naar het hek, waarachter Zuster Sapristi tevergeefs tegen takken opsprong om een peer te plukken (die overigens toch niet rijp kon zijn) zong Louis: 'Dijn is mijn ganse hart, waar gij niet zijt kan ik niet zijn. Zo als de bloem verwelkt, als haar niet kust de zonneschijn.'
'De zingende infirmiere,' zei Byttebier.
'Het komt uit Het Land van de Glimlach.'
'Waar ligt dat?'
'In China.'
'Zij krijgen d'r goed van langs, de Chinezen. Zij doen niks anders dan weglopen met de Japanners achter hun gat,' zei Byttebier en ging naar Zuster Sapristi toe. 'Maar terwijl ze lopen maken ze alles kapot. De verbrande aarde,' zei Louis en nam Vlieghes hand. 'Ge moet ermee naar de infirmerie.'
'Seynaeve, ge stinkt,' zei Vlieghe.
'Ik?' Verbouwereerd liet Louis de hand vallen. Vlieghe snoof, snuffelde, zijn neus ging op en neer als die van Zuster Kris als zij iets zondigs opving, als die van een konijn. (Het konijn heeft van God bij de schepping een glimlach meegekregen en die door onachtzaamheid verloren. Sindsdien zoekt het snuffelend, neusrimpelend vruchteloos naar die weggewaaide glimlach.) ''t Is uw nek die stinkt.' - Ik begin te rotten. Mijn nek als de beschimmelde rottende voeten in de doorweekte laarzen van soldaten in loopgraven.
'Dit is het.' Vlieghe haakte zijn middenvinger in de halsopening. 'Uw scapulier.' Louis rukte het scapulier van zijn nek, een grauw doorweekt vettig lapje dat ooit blauw was geweest ter ere van de Onbevlekte Ontvangenis. Het rook naar niks. Het was een list, een beproeving die Vlieghe hem wou opleggen en die betekende: 'Gij zult niet een merkteken dragen dat niet aan mij gewijd is!' Louis gooide het scapulier op de grond, durfde er niet op te trappen, schopte het achter een vlierstruik, gloeiend van angst, ik durf alles, de torren, de duizendpoten, de rupsen zullen het afgelegde teken opeten.
'Gij gaat naar de hel.'
Louis knikte. Het was onherroepelijk gebeurd. Toch veranderde de binnentuin niet, de heesters bleven roerloos, geen wolk ging sneller, ver weg kwaakten de kikkers, jengelden de kleintjes.
'En luister eens, ik heb liever dat ge van mijn vel blijft,' zei Vlieghe en zette het op een lopen met lange, op sprongen lijkende passen, zoals de neger op de Olympische Spelen een paar jaar geleden, die na afloop in een drieste negerachtige bui de hand van Hitler wou schudden. Louis ging Vlieghe achterna, maar had niet de minste kans om hem in te halen, Vlieghe schoot over de slootjes, Louis raakte buiten adem, hij wipte op zijn bronzen Canadese Eland en het dampende beest deed klompen aarde opspringen maar haalde de jongen niet in, Louis gooide vertwijfeld zijn tomahawk, maar Vlieghe rende maar door met de scherp geslepen bijl in zijn bloedende schedel geplant en schreeuwde, niet van pijn maar van triomf over de weiden, waar Baekelandt van zijn omheining opkeek.
Tijdens de recreatie speelden de Apostelen kaart. Goossens won, zoals vaak de laatste tijd. Usurpator. Een woord van de geschiedenisles. (Het volgend jaar leer ik Latijn.) Louis zocht naar sporen van zijn zonde bij de vlierstruik, naar de walg die Vlieghe moest voelen voor die zonde, maar vond niks in het gezicht, dat zich vosachtig concentreerde op de kaarten. Waarom heet hij geen Voske? Hij is voskleurig. Alhoewel sommige katten ook zo'n kleur hebben.
Een voskleurige kat die regeert als de Markies van Carabas, melk in de snorharen, laarsjes aan, bevelend. Vlieghe is mijn doodzonde. Hij weet niet wat hij doet. Is dit niet eigen aan wie bemind wordt, Mama, BoMama, Sint Franciscus, Bekka, noem maar op? Dat zij niet zien wie hen bemint? Dat alleen hij die bemint elke rimpeling, elke ademtocht opvangt, koestert? Vlieghe kreeg aldoor slechte kaarten.
Op een dag had Byttebier verteld over een kaartspel van grote mensen 'broekaf' genaamd waarbij wie verloor zijn broek moest uittrekken. Louis had het zo'n smerige gedachte gevonden dat hij het gebiecht had.
'Is dat alles wat je te vertellen hebt,' zei de onderpastoor korzelig. 'Dat ge dat woord gehoord hebt: 'broekaf'. Hebt ge zelf uw broek niet uitgedaan?'
'Jawel,' loog Louis.
'En dan? Vuile manieren gedaan?'
'Nee, nee, nee.'
'Wat dan wel?'
'Alleen mijn broek uitgedaan. En dan weer aangetrokken.'
'Weet ge 't zeker? Is dat alles? Wat deden de anderen?'
Koortsig zocht Louis naar een mogelijke bezigheid voor de anderen. 'Zij hebben er niet op gelet,' zei hij lam.
'Schrijf 200 keer: Ik zal mijn biechtvader niet lastigvallen met mijn prietpraat.' Toen hij al een aantal vellen klaar had, keek Zuster Adam over zijn schouder en zei: 'Hij is modern, onze onderpastoor, modern.'
Vlieghe gooide zijn kaarten neer. 'Niet een prentje. 't Slaat al tegen vandaag. Dat komt door Seynaeve. Hij trekt het ongeluk aan, die muilentrekker.'
'Zeg, een beetje beleefd, he!' zei Louis automatisch.
'Gij moet uw mond houden want gij zijt in staat van doodzonde. Dat weet ge heel goed.'
'Ik kan moeilijk vannacht nog te biechten gaan.'
'Ge zoudt wel een beetje berouw mogen hebben, op voorhand.'
'Wat moet ik dan doen? Mijn ogen uitsteken met een patattemesje zoals Zuster Sint Gerolf?'
'Weer leugens,' zei Vlieghe. 'Dat zijt gij, leugens, leugens en niks anders. Gij bestaat van leugens. Zuster Sint Gerolf heeft dat nooit gedaan met dat patattemesje. Gij hebt dat helemaal...'
'Uit uwe duim gezogen!' riep Louis verblijd. Maar Vlieghe deed alsof hij niet begreep waar het op sloeg.
'Zij is niet eens blind, Zuster Sint Gerolf.'
'Wedden?' Louis sloeg met de rug van zijn hand op tafel. Het deed pijn.
'Voor hoeveel?'
'Voor alles wat ge wilt, ongelovige Thomas!'
'Ik wed nooit,' zei Vlieghe kalm. Zijn oom had angstwekkende schulden gemaakt op de paardenrennen van Oostende en zou dit nooit tijdens zijn leven kunnen terugbetalen.
'Wij zouden kunnen gaan kijken, dan weten wij het,' zei Dondeyne.
'Waar?'
'In de kamer van Zuster Sint Gerolf.'
'Daar geraken wij nooit binnen,' zei Goossens.
'Toch wel,' zei Vlieghe lijzig. Strateeg vol list en overmoed. 'Eerst moeten wij verkennen, hoe de ligging is, wat het beste uur is, hoe de aftocht kan gebeuren, enzovoort.'
's Anderdaags in de biechtstoel. 'Vader, ik heb gezondigd, het is mijn schuld, maar niet helemaal, een leerling die ik niet mag noemen, heeft mij verplicht te zondigen.'
'Was het weer van broekaf?'
'Nee.'
'Maar iets in dat genre?'
'Nee. Wel heb ik iets gedaan dat niet mocht.'
'Wat nu weer?'
'Het heilig scapulier.'
'Dat moogt gij afdoen zoveel gij wilt.'
'Ik heb het weggesmeten achter een struik.'
'Weggesmeten? Het is een sacramentale!'
'Ik kan het terugvinden.'
'Ga het zoeken.'
'Het was versleten. Mag ik het wassen, als ik voorzichtig ben?'
'Ja. Waarom hebt ge dat gedaan?'
'Uit een hoofdzonde. Uit nijd.'
'Ge weet toch dat het een voorrecht is om een scapulier te dragen? Dat het vroeger alleen werd toegestaan aan broederschappen...' Over oblaten, tertiarissen. Hij zweette nog meer dan de biechteling en zei uiteindelijk: 'Deinde te absolvo'.
Die nacht zat de zwaargebouwde norse engel aan het voeteneinde van Louis' bed. In de schaduw glinsterden, ritselden de witte zwanenvleugels. 'Ge denkt dat ge er redelijk van afgekomen zijt, he, muilentrekker? Met uw onvolmaakt berouw. Want ge waart voornamelijk bang voor de straf, dat kan nooit een volmaakt berouw zijn. En al die andere doodzonden die zich opstapelen de laatste tijd en die gij niet biecht en die uw schuld vermenigvuldigen? Ge steekt het toch niet in uw hoofd om zondag naar de communie te gaan?'
'Ik ken u,' zei Louis. 'Gij doet u voor als een engel, omdat ge nog de uitrusting hebt van voor dat ge gevallen zijt. Ge doet u ook voor als Holst, die Mama kinderkleertjes heeft gebracht, maar uw eigenlijke naam is Beelzebub.'
De vleugels ruisen alsof de wind er in zit, dan flapperen zij, dan schieten zij dwars door het houten wandje waarachter Dondeyne slaapt en verdwijnen en daardoor wordt Louis wakker, lijkt het wel, want over de waterachtige warmte in zijn onderbuik legt hij zijn hand en wrijft er, pulkt er. Tot hij de engel hoort mekkeren en overeind schrikt. Hij trekt het lint van zijn nieuw scapulier stuk en bindt het rond het vlezig takje dat uit hem groeit. Hij trekt de knoop hard aan tot een kermend piepje hem ontsnapt. Het takje krimpt ineen. Hij bidt resems weesgegroetjes achter mekaar tot hij in slaap valt.
XVII Een verkenning
De gezonde wangen van Zuster Imelda kunnen in een wenk scharlaken worden. Vrouwen van sommige rassen, voornamelijk die uit het Noorden, uit de streek van fjorden en gletsjers, hebben een te dunne huid. De kleintjes schillen aardappelen, dweilen de vloer. Zuster Imelda zit breeduit als een klokhen op een melkstoeltje en geeft af en toe een hartelijk grommend bevel. De Apostelen vragen of zij kunnen helpen en zij vindt dat vanzelfsprekend. 'Straks moogt ge de ketels naar de refter dragen.'
'Zuster Imelda, hoe is het met Zuster Sint Gerolf?'
'Ach, jongens, wat wilt ge? De ene mens verandert rapper dan de andere.'
'Gij zijt nog jong, he, Zuster Imelda?'
'Jongens, soms geloof ik dat ik echt nooit oud ga worden, dat mijn Zusters nog lange jaren miserie met mij zullen krijgen. Maar ja, ik loop ook meer in de gezonde lucht dan mijn Zusters, ik steek de handen uit, ik ben niet benauwd om een nachtje door te werken.'
'Zuster Sint Gerolf...'
'Die is van een chique familie, die heeft nooit geweten wat werken is, dat nooit geleerd, en op een zekere ouderdom wreekt zich dat.'
'Zij komt nooit uit haar kamertje, he?'
'Jamais. Wij hebben er te veel mee tegengekomen. Maar dat is van ver voor uw tijd.'
'Dat kamertje van haar, is dat daar links van de kapel?'
'Nee, dat is van Zuster Econome. Die wil een uitzicht hebben op de notelaars. Zij is zot van noten. Omdat de olie van noten goed is voor de hersenen. Dat denkt zij toch.'
'Is het het tweede kamertje, waar altijd een gordijn voor hangt?'
'Dat is de studie. Nee, als ge 't absoluut wilt weten, curieuze neuze, het is dat kamertje waar de blauwe regen langs groeit. Ik bid alle dagen voor Zuster Sint Gerolf. Heel haar leven is zij godvruchtig en braaf geweest, en dan wordt ze zo gestraft. Zij was smoorrijk, dat wel, maar altijd godvruchtig en braaf. Maar ja, hoe komt zoiets? De hersenen. En dan wil de rest van de machinerie niet meer mee. Als ge te veel met uw hersenen bezig zijt, moet dat slecht aflopen. Ge kunt ook zonder hersenwerk Onze Lieve Heer dienen. Als ge maar gezond blijft en veel bidt is er niet meer nodig, Jezus weet dat wel.'
'En zit zij daar opgesloten, met de deur op slot?'
'Wat gaat u dat aan, Byttebier?'
'Ik mag er toch naar vragen, Zuster Imelda?'
'Zuster Sint Gerolf, jongens, dat is iets bijzonders. Zij komt van Moeskroen, uit een huis met drie piano's. Vroeger babbelde ik met haar over paarden. Haar vader fokte ze. Niet van die boerenpaarden lijk bij ons op het hof natuurlijk. Maar na een tijdje was er niet meer mee te redeneren. Dat komt meer voor, in zulke families. 't Is erfelijk, zeggen ze. Moeder-Overste wist ervan natuurlijk toen ze bij ons binnen kwam. Maar iemand uit zo'n familie weigert ge niet natuurlijk. En ik moet er bij zeggen: zij is altijd godvruchtig en braaf geweest gedurende jaren. Zij was altijd nogal op haar eentje. Maar dan is zij beginnen raar doen, bij de consecratie viel ze van haar stokje. Dan heeft ze haar eigen in brand gestoken.'
'Dat Slot van u, Zuster Imelda, dat moet schoon zijn van binnen.'
'Omdat wij daar onze zonden trachten uit te wassen door versterving.'
'Er zijn veel gangen, he, en kelders en zolders, he, lijk in een spiegelpaleis?'
'Waar haalt ge zoiets? 't Zijn gewone gangen met kamertjes.'
'Omdat,' zei Louis, 'als er een godsdienstvervolging zou komen en de Zusters moeten zich verbergen omdat ze door de vijand vogelvrij verklaard zijn, zo'n Slot eigenlijk verborgen kelders en onderaardse gangen zou moeten hebben, in 't geval dat...'